Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het derde, vierde, tot en met het achtste pakje; bij het opleggen der acht pakjes moet men goed opletten, dat men geen passende kaarten over het hoofd ziet.

Daar het den speler slechts vergund is de pakjes éénmaal en naar volgorde op te nemen, en dadelijk op te leggen, moet hij trachten de kaarten der reeds doorloopen pakjes te bevrijden, evenzoo bij voorkeur die hoopjes van de eerste rij te beleggen, die het meeste ten achteren zijn.

Zijn alle pakjes verbruikt, dus is de eerste rij in klimmende volgorde geheel belegd, dan is het spel gewonnen.

* De halve maan. No. 48.

Men neemt van elke kleur een aas en een heer uit het spel en legt deze acht grondkaarten in twee rijen voor zich op tafel neer. In de bovenste rij komen de azen, in de onderste de heeren.

De overige kaarten verdeelt men in zestien hoopjes van 6 kaarten elk. Deze hoopjes legt men open in den vorm van een halve maan om de azen en heeren heen. Men onderzoekt nu of de bovenste kaarten dezer hoopjes op de grondkaarten te plaatsen zijn, n.1. op de azen in opklimmende reeks (twee, drie enz. tot en met heer) en op de heeren in dalende reeks (vrouw, boer, tien enz. tot en met aas). De op de grondkaarten te plaatsen kaarten moeten bovendien van dezelfde kleur zijn.

Vormen twee of meer van de bovenste kaarten der hulphoopjes een volgreeks, hetzij in dalende, hetzij in klimmende orde, dan worden die kaarten op één pakje vereenigd. Hierdoor vrijgekomen kaarten, die op de grondpakjes passen, worden daar weer opgelegd. Is geen van de bovenste kaarten der hulppakjes meer te benutten, dan neemt men de onderste kaart van elk pakje en legt die

Sluiten