Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beneden een rugje bevestigd; de vorm der scheede beantwoordt aan dien van het lemmet. — Wordt door de inboorlingen overal medegevoerd en dient voor huishoudelijk gebruik, o. m. tot verwijdering van het haar der geslachte varkens. Toradja's. L. 15, 1. lemmet 10,5, br. 2,4, 1. scheede 11,5 cM.

1232/34. Bijl (oease1), het ijzer van voren breed en convex, naar achteren versmald en verdikt, in een bus uitloopend, waardoor een cylindervormige steel van wit hout is gestoken. Toradja's.

L. 71,5, 1. ijzer 17,5, br. 6,5 cM.

1300/35. Naainaald (idjau*), van ijzer, in doorsnede vierkant, het eene einde puntig, het andere plat, gebogen en over de volle breedte tot een oog vervormd. — Men steekt er gaatjes mede in het katoen of de foeja en steekt dan den draad door het gaatje. De Toradja kent alleen den rijgsteek. Toradja's.

L. 20,5, dm. 0,4 cM.

GROEP IV.

Jacht en visscherij3). 1. Jacht.

1300/2. Jachtspeer (kajai*), de punt van ijzer,bestaande uit een langen,cylindervormigen steel, in het midden met rondgaande groeven, het boveneinde driehoekig met twee groote, naar achter gekeerde weerhaken, het ondereinde kegelvormig en uitgehold. Over de punt een houten koker, met overgebonden bladeren bekleed. De punt staat op een, als schacht dienenden, ruwen tak en is daarmede door een lang, los gevlochten, dik touw verbonden. — Zoodra de speer raakt, laat de punt van de schacht los, zoodat het touw zich strekt; bij het vluchten van het wild blijft de schacht haken achter boomen. Toradja's.

L. 186, 1. punt 29, dm. steel 1,3, br. punt 4,5, dm. schacht 2,5 cM.

1232/58 en 1926/892. Als voren, doch de punt met unilateralen weerhaak6), de steel zonder groeven. De schacht als voren, doch met een rotanring omvlochten. — Wordt gebruikt bij de jacht op grof wild. Toradja's.

L. 182 en 180,5, 1. punt 26 en 19,6, dm. steel 1,5, br. punt 4,5 en 4, dm. schacht 2,5 en 2 cM.

1456/51. Als voren4), doch de steel van boven achtkantig, naar onderen cylindervormig, dikker en met talrijke paren rondgaande groeven. Schacht van bruin hout, het boveneinde over groote lengte omgeven door een kunstig vlechtwerk van kruiselingsche rotanreepen, het ondereinde aangepunt. — Voor de zwijnenjacht. Omgeving van Paloppo.

L. punt 29, br. 3,5, 1. schacht 115, dm. 2,3 cM.

1) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XVII, fig. 15. — Kruyt, Woordenlgst, 80, s. v. uwase.

2) Adriani en Kruyt, o. c. II, 219.

3) Adriani en Kruyt, o. c. II, 354—378. — Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, 1—23. — Meyer und Richter, 81—82. — Kruyt, De jacht der Toradja's en de Zending (Afaandbl. N. Z. G. 1911, 194). — Kaudern, I, 360, 418, 555—556. — Van Hoëvbix, T. I. T. L. Vk. XXXV, 27.

4) Af. tV. Z. G. XLI, 4 met pl. Ia. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 358, bovenste figuur.

5) Meyer und Richter, Celeies, I, pl. V, fig. 1, pl. XIII, fig. 1, pl. XXII, fig. 5 en pl. XXV, fig. ii en 13. — Af. N. Z. G. XLI, pl. i, fig. a.

6) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 114, n° 459 met pl. XXV, fig. 13.

Sluiten