Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/380. Schepnet, als voren, doch van een ellipsvormig1) gebogen stuk rotan, waarvan de uiteinden met rotanreepen omwoeld zijn, met een dunner staafje langs den binnenkant, waaraan een net van wit garen bevestigd is. M.

L. 54, br. 25 cM.

1926/379. Als voren, doch bestaande uit twee ellipsvormig gebogen latten, wier uiteinden door omwinding met drie diagonaal gevlochten rotanbanden bijeen worden gehouden en het handvat vormen. Op deze latten een rotanlatje, waaraan een net van wit garen is bevestigd. M.

L. 98, br. 31 cM.

1926/659. Fuik (sango9), eenigszins trechtervormig, van bamboelatjes, die door dwarse doornaaiing met roode en ongekleurde draden op vijf plaatsen onderling verbonden zijn. Om het smalle boveneinde een bamboehoepel, het wijde ondereinde door een trechtervormig uitloopende keel van smalle latjes gesloten. M.

H. 31, dm. 7,5—17 cM.

1232/51. Als voren (sango*), doch zonder keel. De bamboelatten op drie plaatsen horizontaal met rotanreepen, op drie plaatsen bovendien met hoepels bijeengehouden. De bovenste hoepel met rotanreepen diagonaal omvlochten en daaronder een tweede, diagonaal gevlochten rotanband. Toradja's.

H. 58,5, dm. 10—35,5 cM.

1232/50. Als voren (woewoe*), kegelvormig, volgens het ijle drierichtingssysteem1) van bamboereepen gevlochten, met groote mazen. De keel aan de opening op dezelfde wijze gevlochten, trechtervormig uitloopend in korte, aangepunte bamboes. Toradja's.

H. 86, dm. 23 cM.

I3°°/5- Palingfuik (woewoe poli6), van een stuk .bamboe, dat herhaaldelijk gespleten en rechthoekig met bamboereepen doorvlochten is tot een trechtervormige mand; de opening (vooreinde) met een in elkaar gedraaiden ring versterkt met een lusvormig d jour gevlochten rand van rotanreepen. Op het midden is met rotan een vork van ruw hout gebonden, op welks boveneinde een veerende stok schuin boven de fuik geplaatst is. Binnen de fuik een houten deksel, sluitende tegen de voorzijde en met drie gaten, waarin rotanreepen zijn gestoken, twee hiervan aan elkaar geknoopt, een met een oog. — Het werktuig werkt als vischval. Het aas wordt binneningebracht aan een stukje rotan, dat in verbinding staat met het touw van de klep; zoodra dit touw door het eten van het aas losschiet, trekt de tak boven op de fuik deze dicht7). To Kadomboekoe.

L. 70, dm. 14 cM.

1926/662. Fuik, cylindervormig, doch het boveneinde iéts nauwer dan het ondereinde. Van bamboereepen, die op drie plaatsen door een reep en op eene vierde plaats door open diagonaal vlechtwerk doorkruist en aan elkaar verbonden zijn. Aan beide uiteinden een met rotanreepen omvlochten randhoepel. M.

H. 43, dm. 10,4—15,5 cM.

1926/651. Vischmand, van bamboereepen diagonaal d jour gevlochten, van onderen vierkant, van boven rond. Om den rand een door paren rotanreepen bevestigde hoepel, waaraan een draagband van bastreepen bevestigd is. M.

H. 21, dm. 17,5 cM.

ï) Adriani en Kruyt, Atlas, pl. n° 55.

2) Adriani en Kruyt, II, 372 met afb. — Kruyt, Woordenlost, 62, s. v. — Af. N. Z. 67. XLI, 15 met pl. Ha. —• Kaudern, I, 555.

3) Af. N. Z. G. XLI, 15.

4) Adriani en Kruyt, II, 371. — Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XVIII, fig. 13. — Af. N. Z. G. XLI, 16.

5) Jasper, Vlechtwerk, p. 51, fig. 42.

6) - Meyer und Richter, Celebes, I, pl. X, fig. 22. — Adriani en Kruyt, II, 372 met afb.

7) Volgens het inventarisstuk.

Sluiten