Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleurd, cylindervormig, het ondereinde zeshoekig gevouwen. Nabij den bovenrand aan de buitenzijde eene rij driehoekig gevouwen reepen. Met zelfkant. Posso. L. 59, br. 26,5 cM.

2017/3. Baadje, van toejoe-reepen zigzagvormig gevlochten. Met zijstukken voor de borst en lussen, om de armen door te steken, in plaats van mouwen. Het ruggedeelte van boven uitstekend. — Bij landarbeid gebruikt door bewoners van Leppan? onderafdeeling Ma'kale, afdeeling Loewoe.

L. 60, br. 29,5—56 cM.

GROEP VI.

Middelen van vervoer. I. Draagmanden ').

l647/!336- Draagmand, van boombast, afgeknot kegelvormig, van boven wijder. Over het grootste deel van den omtrek verticale bamboestaafjes, op acht plaatsen kruiselings met rotanreepjes doorvlochten en met een dikker stokje besloten, dat aan een stokje in de binnenzijde verbonden is. De bodem versterkt met een rondgaanden reep bamboe, die als voet dient en een spinnewebvormig vlechtwerk van rotanreepjes. De bovenrand van binnen en buiten versterkt door een rotanrandhoepel, aan dé buitenzijde door een vischgraatvormig gevlochten rotanring gevolgd. Twee draagriemen van vischgraatvormig gevlochten rotanreepen, gedeeltelijk rond, gedeeltelijk plat, met oogen aan de einden, die zijn vastgebonden aan den ondersten bamboereep en aan de dikkere latjes der bekleeding. Toradja's. H. 65, dm. 20—30 cM.

1232/2. Als voren (banijoe1), van de bladscheede der sagopalm, de bamboestaafjes op zeven plaatsen kruiselings met rotanrèepjes doorvlochten. De bovenrand versterkt door een breeden bamboehoepel, gevolgd door een rotanhoepel, een vischgraatvormig gevlochten rotanring en twee, daaraan evenwijdige, met kruisreepen verbonden ringen. De draagband van boomschors aan de dikkere latjes der bekleeding vastgebonden Toradja's.

H. 76, dm. 20—35 cM.

i456/73- Als voren (baso*), van sagopalmbladscheede, afgeknot kegelvormig, de wijdste zijde open; de stukken bladscheede op drie plaatsen over de hoogte met rotanreepen aan elkaar genaaid; op vijf plaatsen groepen van rondgaande, gedeeltelijk doorgestoken rotanreepen. Bovenop en onderaan van binnen een dikke, rondgaande bamboereep met één, resp. twee vischgraatvormige doorvlechtingen van rotanreepen bevestigd. Door den ondersten reep een gedraaid draagkoord van rotan. De bodem gevormd door een rond stuk bladscheede, ondersteund door een lusvormig a jour vlechtwerk van in elkaar gedraaide rotanreepen. Zuidoever van het /Warneer.

H. 68, dm. 20—37 cM.

. \a3v/5' ^s voren (baso), doch slechts op vier plaatsen groepen rondgaande, gedeeltelijk doorgestoken rotanreepen. De beide randhoepels slechts door eene vischgraatvormige doorvlechting van rotanreepen bevestigd. De bodem gevormd door een rond stuk hout, met lusvormig rotanvlechtwerk omvlochten. Toradja's. H. 65, dm. 11—19 cM.

1) Kauuern, II, 261—264 met bild 103, fig. 1 en 3—5.

2) Vgl. Meyer nnd Richter, p. 84—85 met pl. XIX fig. 7

3) Meyer nnd Richter, Celebes, I, p. 74, no 422 met pl. XVII, fig. 13. - Adriani en Kruyt, 11, 109, 188, 189. — kruyt, Woordenlgst, 12, s. — J. kruyt, B. T. L. Vk. LXXX, 149.

Sluiten