Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1456/74. Draagmand, als voren'), doch van rotan, rechthoekig, naar boven wijder, aan eene zijde open; de ribben gevormd door omwoelde rotanstaven, daartusschen diagonaal vlechtwerk van rotanreepen, door verticaal ingestoken reepen versterkt. De onderrand versterkt door een dik houten raam, waartegen de ribben met aaneengesloten vlechtwerk zijn vastgebonden. Eene zijde bekleed met boomschors, de tegenover liggende open wand met tal van gekruiste boombastreepen. Ter zijde twee dichte gevlochten draagbanden, in het midden plat, aan de einden rond en met lussen, die met oogen van touw of rotan aan de voorste ribben of den houten rand verbonden zijn. To Bada.

H. 58, dm. 21—27 cM.

1232/3. Als voren (woewoe*), doch afgeknot pyramidevormig, van verticale bamboelatten, die door smalle rotanreepen horizontaal doorvlochten zijn en waarvan de hoeklatten vier pooten vormen. Van boven en van onderen een vischgraatvormig gevlochten band. Langs den bovenrand een zwarte en een met rotanreepen omwonden bamboehoepel, langs den onderrand alleen een zwarte hoepel. De bodem van rechthoekig open vlechtwerk. — Wordt met een draagband over de schouders of het voorhoofd gedragen. Toradja's.

H. 43, dm. 13—26 cM.

1926/666. Als voren, de verticale latten van onderen puntig uitloopend. Langs den bovenrand een breede bamboehoepel, waarin een zigzaglijn ingebrand is, en daaronder een rotanhoepel, evenals aan den onderrand, beide door omvlechting met rotanreepen bevestigd. De bodem bestaat uit rotanlatten, door latten in tegengestelde richting onregelmatig doorkruist. M.

H. 57, dm. 16—31 cM.

776/38*). Als voren (woewoe*), afgeknot pyramidevormig, rondgaand gevlochten van smalle rotanreepen over verticale bamboelatjes; aan de vier hoeken doorloopende, cylindervormige rotanstijlen, wier ondereinden als pooten dienen. De bovenrand van binnen en van buiten door een, met rotanvezels bevestigd bamboelatje versterkt. Daaronder en boven den onderrand een strook vischgraatvormig vlechtwerk. Als draagband dient een breede reep boomschors, die onder een rotanreep in het midden van den achterwand bevestigd is. — Door de vrouwen gebruikt ter berging van veldvruchten en op den rug gedragen. Posso.

H. 35, L 12,5—25,5, br. 12—25 cM.

43/20'). Draagkorf (pokojo), als voren, doch van bamboe loei (Bambusa longinodis *)-reepen zigzagvormig gevlochten. De buitenzijde grootendeels zwart beschilderd met een mengsel van roet, hars en olie, zoodat de ongekleurde reepen een ruitpatroon vormen. Aan de vier hoeken rotanlatten, die van onderen doorloopen en vier pooten vormen, door omvlechting met rotanreepen bevestigd aan de bamboehoepels langs den rand en den bodem. Langs den bodem een strook vischgraatvormig vlechtwerk. De vier wanden versterkt door een omgebogen rotanhoepel, welks uiteinden in den onderrand gestoken zijn. Twee draagbanden van boomschors, bevestigd aan een horizontalen rotanreep in het midden der wanden. — Wordt door vrouwen en meisjes aan een band over de schouders op den rug hangende gedragen, en dient óm veld- en tuinvruchten huiswaarts te brengen. Gekocht te Posso.

H. 45,8, 1. 17,5—28, br. 15—26,5 cM.

1) sarasin, Reisen in Celebes, I, 216, 217, fig. 62. — Vgl. Meyer und Richter, pl. XIX, g. 7.

2) Adriani en Kruyt, II, 189, 270. — Kruyt, Woordenlgst, 87, s. v. ivuwte.

3) Serie 776 don. G. W. W. C. baron van Hoêvell, April 1890.

4) Adriani en Kruyt, De Bare2'e-sfretende Toradja's, H, 189, 270.

5) Serie 43 don. C. B. H. baron von Rosrnberg, Dec 1864.

6) de Clercq, p. 179, n° 407.

Sluiten