Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1759/90—e. Steenen voor bpombastkloppers (ike), van serpentijn, a, b en « rechthoekig, c en d vierkant; aan de kanten lange of korte groeven voor de lus; « op eene zijde 21 groeven over de lengte, op de andere 26 diagonale; b op eene zijde (pombajowo1) drie breede, verticale groeven»), op de andere (pongkakagi*) zeven; c op de eene zijde 15, op de andere 25 schuine groeven8); d op de eene zijde drie groepen van vier verticale groeven, door diepere gescheiden, op de andere 15 schuine kerven; e op de eene zijde ió om den ander diepe en minder diepe groeven, op de andere 28 schuine, deels kromme groeven. M.

L- 5—7,5, br. 3,2—5,5, d- «—3,8 cM.

43/36. Steen voor een boomschorsklopper, als voren, doch met een aantal schuine groeven aan beide zijden4). De zijkanten van boven en onderen ingekeept voor de bevestiging in een rotanlus. M.

L. 6,5, br. 4,5, d. 2,1 cM.

776/42*. Klopper (ike*), voor de bewerking van boomschors; desteen rechthoekig, van eene grijze, leiachtige steensoort, van overlangsche groeven, aan de eene zijde rechte, aan de andere schuine, voorzien. De steen is tusschen een, als steel dienend, in het midden doorgebogen stuk rotan geklemd, welks beide einden beneden den steen en op twee plaatsen van het boveneinde door een dun, gedraaid bastsnoer met elkander zijn verbonden. Als handvat dient een cylindervormig stuk hout. Tominibocht.

L. 39,6, 1. steen 4,9, br. 3,9, d. 2,1 cM.

1232/78—80. Als voren (ike6), doch de beide deelen van den steel verbonden door een rotanvezel onder den steen, drie rotanrepen boven, bij n° 80 ook onder het handvat en een rotanband7) om het boveneinde van het handvat (78 en 79). Het handvat cylindervormig, van lichtgeel hout, tusschen de rotanlat geklemd, wier ondereinde vierkant is. Toradja's.

L. 30, 30 en 27, li steen 5,5, 5 en 5,5, br. 4,5, d. 3,3 en 2,5 cM.

1456/65. Als voren (ike*), de steen groen, rechthoekig.de breede zijden met 18, resp. 22 schuine, fijne groeven. De steel op drie plaatsen met boombastreepen omwonden, van onderen ovaal. Aan den klopper talrijke sporen van foeja. De steen is afkomstig uit het landschap Ondae. Zuid-oever van het Possomeer.

L. 40,5, L steen 6,8, br. 4,8, d. 2,8 cM,

1759/2, 3, 5, 7. Als voren (ike9), de steen van serpentijn, rechthoekig; op eene zijde 14 (2), 20 (3), 16 (5) of 19 (7), op de andere 25 (2 en 3) of 21 (5 en 7) schuine groeven. De rotanlus (ati10), op eene plaats met boombast (2) of op twee plaatsen met een rotanring (3 en 5) of op vijf plaatsen door boombastvezels of rotan-

t) Aoriani en Kruyt, Geklofte boomschors, 16. — Idem, De Barèe-sfrekende Toradja's, II, 321.

2) Auriani en Kruyt, Geklopte boomschors, pl. I, fig. 1. — Meyer und Richter, pl. XVIII, fig. 40.

3) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors pl. I, fig. 2. — Meyer und Richter, pl. XVIII, fig. 2a en 3a.

4) Adriani en Kruyt, 1. c, pl. I, fig. 2.

5) Veröffentlichungen aus dem Kgl. Museum für Volkei kunde zu Berlin, I (1889), p. 5 en 26 en pl. III, fig. 4. — Meyer und Richter, pl. XVIII, fig. 1. — Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, pl. I, fig. i en 2. — Kaudern, II, p. 9, bild 2, p. 262, büd 102, n°. 2.

6) Meyer und Richter, pl. XVIII, fig. 1 en 6. — Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, pl. I, fig. i en 2. — Idem, De Barfc-sprekcnde Toradja's, II, 321, afb.

7) Mason, 27, fig. 25.

8) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 77, n° 308 met pl. XVIII, fig. 1. — Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, pl. I, fig. 2.

9) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 16.

10) Adriani en Kruyt, o. c. 15. — Idem, De Barie-sprekendc Toradja's, II, 320.

Sluiten