Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormig naar de snedezijde gebogen en afgebroken, door een kraagvormig vooruitstekenden dwarsrug van het middengedeelte gescheiden, en evenals dat met eenige rechte en kromme, ingekraste lijnen versierd. Scheede van lichtbruin hout, de mond vooruitstekend, met vijf gevlochten rotanbanden en enkele ongekleurde en roode rotanreepen omwonden. Onder den mond eene rij ingekraste driehoeken. Het dikste gedeelte met vier gaten voor den draagband en met bladkrulvormig snijwerk versierd. De schoen uit een afzonderlijk stuk palmhout bestaande met bladvormig uitgesneden, herhaaldelijk uitgeschulpt ondereinde, door een kraagvormig vooruitstekenden dwarsrug van de scheede gescheiden. M.

L. 53,5, 1. lemmet 39,5, br. 3, dm. greep 4,5, 1. scheede 57,5, br. 4,8 cM.

1926/350. Zwaard, als voren, het lemmet en de greep als bij n° 353, doch de laatste uitloopend in een verbreed, ruitvormig, doorboord uitsteeksel en het snijwerk aan het boveneinde uit kruisbloemen in ruiten bestaande. De scheede uit twee stukken bestaande, die door omwinding met drie bruine en een gelen band samen worden gehouden. Het snijwerk aan het dikste gedeelte minder fraai. De schoen aan weerszijden van den vooruitstekenden dwarsrug met ingesneden ruiten versierd en vischstaartvormig uitloopend. M.

L. 51, 1. lemmet 38,5, br. 3,3, dm. greep 3,7, 1. scheede 55,3, br. 4,7 cM.

1936/341. Als voren, het lemmet als bij n° 350, doch meer versleten. De greep van buffelhoorn, de vorm als voren, doch het rechte ondereinde met een rij kruisen in vierkanten, het omgebogen boveneinde ovaal uitloopend en verbreed, met ingesneden driehoeken en vierbladerige bloemen versierd. De scheede met vier donkerbruine, vischgraatvormig gevlochten en een band gele reepen omwonden. Het dikste gedeelte met ingesneden golflijnen versierd. De schoen uit een afzonderlijk stuk palmhout bestaande, met eene rij ingesneden driehoeken, het ondereinde in het midden ingekeept. M.

L. lemmet 38,5, br. 2,4, dm. greep 4,8, 1. scheede 55, br. 4 cM.

1926/354. Als voren, het lemmet als dat van n° 341, de greep van hout van onderen onversierd, van boven met ingesneden ruiten en driehoeken. Het kraagvormig vooruitstekende einde doorboord en ook in den bovenrand drie ronde gaten. De scheede van boven onversierd, met vijf bruin en zwarte, gevlochten banden en tusschen de beide bovenste met zwarte reepen omwonden. Het dikste gedeelte met eene rij bladfiguren tusschen twee rijen ovalen. De schoen van grijsbruin hout, onversierd, vischstaartvormig uitloopend. M.

L. 53, 1. lemmet 39,5, br. 3,8, dm. greep 4, 1. scheede 63, br. 4,7 cM.

1936/347. Als voren, doch het lemmet gedamasceerd, de greep van zwart hoorn, het omgebogen boveneinde met ingesneden driehoeken en ruiten en reliëf in gleuven versierd, het uiteinde als voren. De scheede van geelbruin hout, op drie plaatsen met rotanbanden en verder met rotanreepen omwonden. Onder den mond eene rij s-vormige figuren. Dezelfde versiering en daartusschen golflijnen in het dikke gedeelte tusschen de beide doorboorde ruggen. De schoen van grijsbruin hout, met ingesneden driehoeken en reliëf en dwarsgleuven, de onderrand herhaaldelijk uitgeschulpt. M.

L. 53,7, 1- lemmet 39,7, br. 3,5, dm. greep 4, 1. scheede 63, br. 4,7 cM.

1936/349. Als voren, doch het lemmet effen, de greep met ingesneden ruiten, driehoeken en bladfiguren, het kraagvormig uitstekende uiteinde ovaal en effen. De scheede van geelbruin hout, met vier fijn gevlochten rotanbanden en tusschen de beide bovenste met rotanreepen omwonden. De vooruitstekende mond van hoorn. Het gedeelte tusschen de ruggen met blad- en golfvormig snijwerk versierd. De schoen met bladtin belegd, door een vooruitstekenden rug van de scheede gescheiden met herhaaldelijk uitgeschulpten onderrand. M.

L. 58, 1. lemmet 44,2, br. 3, dm. greep 4,5, 1. scheede 52,7, br. 4,5 cM.

1926/342. Als voren, het lemmet als dat van n° 349, de greep van onderen onversierd, het middengedeelte met ingesneden ruiten en driehoeken en bet verbreede

Sluiten