Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaasvormig, plat zeshoekig in doorsnede, naar boven breeder, het eindvlak beschadigd; effen steelring van zilver niet kraagvormige verbreeding, die van eene groef voorzien is. De scheede1) behalve schoen en mondstuk geheel bedekt met eene omwinding van fijne, zwarte en bruine rotanvezels; de schoen en het mondstuk van zilver, trapeziumvormig; de eerste symmetrisch met ingeprikte randen met gedreven bladornament, door randen met schuine streepjes verbonden. Mondstuk asymmetrisch en slechts aan eene zijde uitstekend; langs den mond een verhoogde, effen rand. Beide zijden van het mondstuk bedekt met gedreven blad- en bloemornament, door met streepjes gevulde randen begrensd; het ornament op een vlak door een gebogen, effen band onderbroken. M. (?).

L. lemmet 47,5, br. 2,4, 1. greep 12, br. 2,7—4,9, 1. scheede 51, br. 2,8—6,5

1599/585. Zwaard, als voren3), doch het lemmet bijna recht, de rug dakvormig, naar onderen dunner en met flauw gebogen lijn naar de scherpe punt overgaande. De greep in doorsnede ovaal met kraagvormige verdikking boven het lemmet, knievormig gebogen, het boveneinde breeder en het eindvlak uitgeschulpt en getand. Scheede van bruin, gepolijst hout, nabij het ondereinde met rondgaanden, schuinen, scherpen rug, het ondervlak breeder en uitgeschulpt; de schoen met ingekraste, rondgaande strepen en rijen driehoeken; als mondstuk eene verdikking van hoorn. Op eenigen afstand daaronder twee doorboorde verdikkingen, waartusschen ingesneden strepen en snoer (?) ornament. Tegen het mondstuk aansluitend een ingesneden paarlrand en daaronder eene rij boogvormige figuren. Alle ingesneden figuren met bladtin belegd. Door de gaten der verhoogingen zijn veelkleurige koorden getrokken, het bovenste koord eenmaal omgeslagen, eindigend in eene lus en franje, het onderste met franjes aan weerszijden en herhaaldelijk om de scheede gewikkeld. M.

L. lemmet 50,5, br. 2,2—3, 1. greep 15,5, dm. 2,7—5,2, 1. scheede 63, br. 4—5,5 cM.

804/238 s). Als voren (parang), doch het lemmet goed gedamasceerd. De greep als voren, doch het uiteinde uitgehold en tweemaal uitgeschulpt. Scheede van roodbruin hout, van boven en van onderen met rotanreepen omwoeld. Aan de eene zijde twee doorboorde rugjes, waardoor een draagkoord van rood en zwart katoen geregen is. De bovenrand gedeeltelijk weggesneden, de onderrand verbreed, zonder schoen en zonder snijwerk. — Te Rongkong vervaardigd. Toradja's.

L. 59, 1. lemmet 44,5, br. 4, 1. greep 16, dm. 17, 1. scheede 47,5, br. 5,5 cM.

804/236*). Als voren (klewang), doch het lemmet effen, de snede van onderen flauw convex. De greep eenigszins pootvormig, plat, breed en waaiervormig uitloopend, de benedenhelft met geelkoper omwoeld en daarboven versierd met een reeks ingesneden oogjes tusschen zigzaglijnen. Scheede van bruin hout, in de bovenhelft aan de eene zijde een breede, platte en concave, overiangsche rug, die aan weerszijden is doorboord, om er twee lussen, voor het breede, diagonaal gevlochten draagkoord in te bevestigen; de benedenhelft geheel omwoeld met een breeden katoenen band in spiraalvormige gangen, die met een roodbruine streep langs de randen en met donkerblauwe dwarsstrepen, ruiten en groepen van vier driehoeken is versierd; om den mond een vischgraatvormig gevlochten ring van smalle, ongekleurde en zwarte reepen. — Te Rongkong vervaardigd. Toradja's.

L. 64, 1. lemmet 45,5, br. 4, 1. greep 14,5, br. 3—7,7, 1. scheede 50, br. 5,5 cM.

1926/352. Als voren, het lemmet als dat van n° 804/236, doch de snede recht. De greep van onderen recht met een rij ingesneden zandloopers boven den verbreeden, hoornen steelring. Het uiteinde omgebogen, breed uitloopend en aan den binnenkant met ingesneden spiralen versierd. De scheede van lichtbruin hout, met vijf fijn gevlochten rotanbanden omwoeld. Het gedeelte tusschen de doorboorde ruggen versierd

1) Vgl. Meyer and Richter, Celebes, I, pl. XVI, fig. 10a.

2) Meyer and Richter, Celebes, I, pl. XVI, fig. 9 en 9a.

3) Weber in I. A. f. E. III, Suppl. p. 40 met pl. I, fig. 10.

4) Weber, 1. c. p. 40 met pl. I, fig. 12.

Sluiten