Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sondering van het rechte benedengedeelte, dat met zwart draad omwonden is. Scheede van lichtbruin hout, met verdikten mond, met vijf banden van gele en roode rotanreepen omwonden. De mond, de met bladranken versierde rand daaronder, een breede rand rotanreepen tusschen de beide bovenste rotanbanden, de beide doorboorde ruggen, het gedeelte daartusschen en de hamervormig vooruitstekende schoen met bladtin overtrokken. Door de beide ruggen is een draagband van blauw katoen geregen, die in het midden met rood katoen overtrokken is en uitloopt in oranje, groene en roode franjes. — Het lemmet aan het meer van Liroe vervaardigd. Gekocht te Bakoe makoeni. M.

L. 57, L lemmet 45,5, br. 2,9, 1. greep 21, br. 3,5—6,5, 1. scheede 69, br. 4,7 cM.

1456/63. Zwaard, als voren (penai1), doch het lemmet ruw gedamasceerd, de rug met een rechte lijn overgaande in de punt. Greep van bruin hoorn, als voren, doch niet met bladtin bekleed. Boven den hoornen steelring een ingesneden rand1) van spiralen, door blokjes gevolgd, op het verbreede gedeelte rondgaande kringen*), waartusschen banden met ruitvormige figuren. Tegen den rand van de greep sluit een tweede stuk van hetzelfde materiaal in den vorm van een wijd geopenden bek; de binnenzijde van den bovensnavel hol; op beide bekken langsgroeven en ingesneden spiraalornament, terwijl aan de binnenzijde tanden door krullen zijn voorgesteld; beide deelen van de greep door een ingestoken houten klosje en een omgewikkelden reep rood katoen verbonden. Scheede van een palmhouten en een bruine plank, bijeengehouden door een afzonderlijk schoentje, dat een scherpen rand vertoont en naar onderen wijder uitloopt; bovenaan een verdikte rand. Op de buitenzijde twee doorboorde verdikkingen, waarin een rood draagsnoer; naast en tusschen die verdikkingen banden met ingesneden snoerornament en een rij golflijnen; onder den bovenrand een rondgaande band met snoerornament. Tomini-bocht.

L. lemmet 47, br. 2—3,2, 1. greep 16,5, 1. scheede 61, br. 4 cM.

1232/41. Als voren, het lemmet en de greep (kalatna*) als bij n° 1456/63, doch de laatste uit één stuk karbouwenhoorn, in den vorm van een geopenden krokodillenbek met vier gestileerde krullen. De kaken niet hol. Het ornament bestaat uit een rij zandloopers *) boven den steelring, ruiten6) in het midden en een snoerornament in het bekvormige gedeelte» Scheede van lichtgeel hout, met vijf rotanbanden omwonden. De mond, de beide doorboorde ruggen, het gedeelte daartusschen, dat met golfstrepen versierd is, en de schoen van bruin hout. De laatste met een snoerornament7) boven den scherpen dwarsrug en waaiervormig uitloopend. Zonder draagsnoer. Toradja's.

L. 77,5, 1. lemmet 36,5, br. 3,4, 1. greep 13,5, 1. scheede 64, br. 4,5 cM.

43/19. Als voren8), het lemmet en de vorm der greep als bij n° 1232/41, doch de laatste bijna geheel, met uitzondering van een stuk van het rechte gedeelte, met bladtin overtrokken. In het bekvormige uiteinde steekt een groote bundel menschenhaar. De scheede van bruin hout, de vooruitstekende mond, de beide doorboorde ruggen, waardoor een draagband van zwart katoen geregen is, die in roode, oranje en groene franjes uitloopt, en het gedeelte daartusschen met bladtin en het overige gedeelte met rotan overtrokken, dat een patroon van gele, roode en zwarte ruiten, gevuld met achtpuntige sterren en vier kleinere ruiten vormt. De schoen ontbreekt. —

1) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 66, n° 19 met pl. XVI, fig. 3 en 3a. — Sarasin, Reisen in Celebes, I, p. 269, fig. 81.

2) Meyer und Richter, o. c. p. 66, fig. c.

3) O. c. p. 67, fig. b.

4) Adriani en Kruyt, o. c. II, 192. — Kruyt, Woordenlijst, 30, s. v.

5) Meyer und Richter, o. c. p. 66, afb. ge.

6) O. c. p. 67, afb. 10.

7) O. c. p. 66, afb. Se.

8) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XVI, fig. 4.

Sluiten