Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze vorm van scheede mag alleen door hoofden gedragen worden. Van den radja van Tomasa in ruil voor een geweer ontvangen. M.

L. 57, 1. lemmet 43,5, br. 3,5, 1. greep 20, 1. scheede 59,5, br. 4 cM.

1232/42. Zwaard, als voren (penai), het lemmet als dat van n° 43/19, doch de greep (pajda mbawoe van zwart hout, het omgebogen boveneinde in den vorm van een visschenkop met ingesneden schubben. Uit den bijna gesloten bek, boven uit den kop en onderaan steken bosjes wit en zwart geitenhaar. Boven den steelring een ingesneden band bloem- en bladfiguren. De scheede van lichtgeel hout, met vier diagonaal gevlochten, donkerbruine rotanbanden omwonden. Het verdikte gedeelte versierd met ingesneden ovalen en bloem- en bladfiguren en ingebrande golflijnen. Zonder draagband. De schoen van wit hout, met een scherpen dwarsrug en daaronder versierd met driehoeken en reliëf, het ondereinde in het midden ingekeept. Toradja's.

L. 77, 1. lemmet 45, br. 3,5, 1. greep 16, 1. scheede 61, br. 4,5 cM. Zie plaat VII, fig. 4.

804/237 *). Als voren, doch de rug van het lemmet recht, de snede beneden de greep eerst flauw concaaf en met een booglijn in de punt overgaande. Greep van zwart hoorn, van onderen ovaal, de bovenhelft naar achteren gebogen, plat en dunner wordend en aan weerskanten versierd met ingesneden S-vormige figuren met open krul in het uiteinde en daaronder een achtstralige ster, begrensd door twee, elkaar kruisende zigzagstrepen. Aan de snedezijde een vleugelvormig, plat uitsteeksel met twee ingelegde, overlangsche strepen van been. Scheede van bruin hout, op drie plaatsen met vezeldraad omwonden, zonder verdikking en zonder schoen. Toradja's.

L. 67,5, 1. lemmet 49,5, br. 6, 1. greep 17,5, dm. 4—4,3, 1. scheede 49, br. 4,7 cM. Zie plaat VII, fig. 2.

1456/54. Als voren *) (kalewang, penai), doch het lemmet zeer ruw gedamasceerd, de rug met convexen boog in de punt overgaand, de snede recht. Greep van bruin hout, de vorm als voren, doch met afgerond boveneinde en ingesneden snoerornament. In het midden een ingesneden kruisbloem en oogen. De groeven in het uitsteeksel niet met been ingelegd. Steelring van hoorn, naar onderen verbreed, de greep daarboven met rotanreepen omwoeld. Scheede4) van bruin hout, het boveneinde iets dunner bijgesneden, bijna geheel met rotanreepen omwikkeld, bovendien drie gevlochten rotanringen; onder de beide bovenste is een plat draagkoord van wit katoen bevestigd. Schoen van hoorn, in doorsnede puntig ovaal en iets breeder dan de scheede. Toradja's, Paloppo.

L. lemmet 48,5, br. 2,8, 1. greep 16,5, 1. scheede 51,5, br. 3,8 cM.

4, Vuistringen.

1649/10'). Vuistring, van ijzer, ovaal, in doorsnede ruitvormig, naar eene zijde dunner, meer afgerond, aan de buitenzijde met leder belegd en daar met zwart, glimmend leder omkleed. M.

H. 12, br. 8,5, d. 3 cM.

1649/11—12. Als voren, doch in doorsnede rond, eene lange zijde plat en niet met leder bekleed, de andere bij n8 12 naar onder en boven omgebogen in den vorm van een Grieksche £1. M.

H. 12 en 10,5, br. 6,5 en 7, d. 1,5 cM.

1) Adriani en Kruyt, II, 192: „varkenspoot". De vorm gelijkt echter meer op dien van pl. „huisraad en wapens", fig. 2: pengoedjoe garanggo (als de bek van een krokodil).

2) Weber in /. A. f. E. III, Suppl. p. 40 met pl. I, fig. 1.

3) Weber, I. A. f. E. III, Suppl., pl. I, fig. 1. — Vgl. Sarasin, Reisen in Celebes, I, 268 vlg.

4) Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XXV, fig. i6n.

5) Serie 1649 aankoop April 1908.

Sluiten