Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1300/8. Mondtrom (wbringi1), van bamboe, rechthoekig, op eene zijde met ingesneden driehoeken; de uitgesneden tong trapsgewijze versmald; de einden doorboord, aan het eene een lus van touw, aan het andere een enkel touwtje, bevestigd aan een kokertje, waarin het instrument gebogen kan worden. Toradja's.

L. 9, br. 0,7 cM.

1300/40. Als voren (wóringi), doch met drie dwarse verhoogingen, onversierd. Op de buitenzijde van den koker ingesneden .ringen en enkele of groepen van zigzaglijnen. Toradja's.

L. 9,5, br. 0,9 cM.

2060/4*). Bamboekoker*), de buitenzijde geheel met snijwerk versierd, over elf banden verdeeld: twee met rijen ongekleurde en zwart gestreepte driehoeken (toempalmotief), drie met ongekleurde bladranken op gestreepten grond, drie met veelstralige sterren in cirkels, twee met maeanders in ruiten. Op het deksel en in den bodem eene achtbladerige bloem in een cirkel, door een stralenrand omgeven. Palopo.

H. 40,2, dm. 8,4 cM.

2. Speelgoed*).

1300/12. Touw, van de binnenste bastvezels van den soeka-boom (Gnetum gnemon1) gedraaid. — Gebruikt bij het tollen •). Toradja's.

1300/110—b en 1926/9. Draaitollen (gan/ji1), van zwart (na), geel (nb) of donkerbruin (9) hout, peervormig, met klein, kegelvormig dakje op het puntige einde; n° nb over bijna de geheele lengte gespleten. Toradja's.

L. 9,7 11 en 9,7, dm. 7,2, 6,5 en 7 cM.

1377/8. Als voren (gantjiB), van ebbenhout(?), kegelvormig, met scherpe punt en eenigszins convexe wanden; het bovenvlak naar het midden flauw oploopend en daar met een cylindervormig steeltje, dat tusschen de handen gedraaid wordt. To Lage.

Dm. 4,8, h. 7,8, 1. steel 3,8 cM.

1300/39. Snorrebot (lelempali), bestaande uit een stukje blad van de Ficus Livingstonia, rechthoekig opgevouwen, aan het einde met een dwarsvouw; hierdoor is boogvormig een stukje bladnerf gestoken, waaraan een plantenvezel verbonden is. — Volgens dr. Kruyt wilden de stukken blad in gedroogden toestand niet meer „snorren". Todjo.

L. 12,5, br. 2 cM.

804/256. Spel kaarten'), uit 39 stuks bestaande, van geklopte boomschors vervaardigd, de achterzijde zwart, de voorzijde wit met figuren in roode, gele, groene of zwarte kleur binnen een zwarten rand: draken, vrouwen, mannen te voet en te paard, groepen kaarsen, cirkels enz. Loewoe.

L. 8,5, br. 5,5 cM.

1) Kruyt in M. N. Z. G. XLI, 44—45. — Adriani en Kruyt, II, 384. — VgL Cat. X. E. Af. IV, p. 67, n° 1002/19 en de daar in noot 7 aangehaalde literatuur. — Kaudern, II, 100 met bild 104, fig. 6.

2) Serie 2060 don. dr. Hartlieb, Sept. 1924.

3) VgL Spat, Bamboekokers uit Loewoe (Elsevier's Maandschrift, 1912, II, 36).

4) Adriani en Kruyt, o. c. II, 385—391. — Kruyt in M. N. Z. 67. XLI, 47—52.

5) de Clercq, n° 1671.

6) Kruyt, 1. c. 48—49. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 389—390. — Kruyt, T. N. A. 67. 2« Serie XXVI (1909), p. 373.

7) Kruyt in M. N. Z. 67. XLI, 48 met pL H, fig. 9. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 389.

8) Vgl. M. tV. Z. G. XLI, pl. II, fig. 9.

9) Vgl. Grubauer, p. 265, fig. 152.

Sluiten