Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

131/61—62. Vogels, van lontarbladreepen diagonaal gevlochten, met drie- (62) of vijfslippigen (61) staart Aan den rug is een hengsel van hetzelfde vlechtwerk bevestigd. In het midden van den rug een driehoek (62) of een opengewerkt trapvormig figuur (61). Zonder pooten. — Bij de Toradja's en Alfoeren in gebruik, om er rijst tot offerande voor de afgestorvenen in op te brengen.

L. 60 en 50 cM.

1232/105 en 1456/47. Menschenfiguren (iolo kende1), van aren-vezds, met boombastreepen omwonden; zeer onduidelijk hoofd, bij n* 47 de armen met vingers en de beenen met teenen. Om het lichaam, bij n° 47 ook om het hoofd, is een lap boombast geslagen en hierin zijn bij n« 47 gaten tot aanduiding van oogen en mond gesneden. — Zij dienen als plaatsvervangers voor zieken, om daarin door een priester de ziekte te doen tooveren, waarna de pop buiten het dorp gebracht wordt 105: Toradja's, 47: Sadaonda, Paloe-dal.

H. 21 en 41 cM.

Zie plaat IX, figuur 5 (1456/47)-

1926/58. Bamboehoepel, met acht daaraan bevestigde poppen, van lontarbladreepen diagonaal gevlochten. Een in staande houding (priester?), met hoofdring van wit en baadje van wit en rood gestreept flanel en rok van wit en zwart getuit katoen. De 7 andere poppen stellen vrouwen voor in zittende houding, allen met een waaier van lontarbladreepen in de hand, drie met ontbloot bovenlichaam, de 4 andere geheel gekleed. M.(?) of Saleier *)(?).

Dm. hoepel 30,5 cM.

1926/1081. Pop, van ruw bewerkt geelachtig hout, de neus plat en driehoekig, de ooren halfrond en uitstaande, de mond geopend; zonder armen, de voeten naar binnen gekeerd, zonder aanduiding der teenen. Het bovenlichaam bedekt met een baadje van blauw, wit en geel gebloemd katoen, het onderlijf met een broek van wit katoen. M.

H. 120 cM.

1926/1083. Als voren, doch veel langer, de ooren beter bewerkt, de mond gesloten. De linkerarm ontbreekt, de rechter te kort en met te kleine hand. De voeten niet aangeduid. De kleeding als die van n* 1081, doch over het baadje een smalle zwarte doek en over de broek een gordel van geel katoen, waarin een houten zwaard steekt. M.

H. 191 cM.

1926/1082. Als voren, doch veel beter bewerkt. De neus beschadigd. De armen te dun, de rechterhand op den buik, de linker op de borst rustende. Het mannelijk schaamdeel duidelijk uitgesneden. Geheel ongekleed, behalve een rotanreep om de lendenen en de voeten, die evenals bij n° 1083 niet aangeduid zijn. M.

H. 117 cM.

1377/3. Versiering (widoe*), cylindervormig stokje, aan het ondereinde aangepunt, bijna geheel omwikkeld met rood en blauw garen en bladtin in rondgaande ringen; op twee plaatsen zijn dunnere, schuine stokjes, op dezelfde wijze omwikkeld, bevestigd; hieraan en aan het boveneinde van het dikke stokje zijn met haren pluim-

1) Sarasin, Reisen in Celebes, II, 20, 57, 58 met fig. 20. — Adriani en KrüYT, o. c. I, 381. — Grubauer, 528 met afb. 290. — Kruyt, De berglandschappen Napoe en Besoa in MiddenCelebes (7*. N. A. G. 1908), p. 1297 met pl. XLI, fig. a: tanghilando. — Boonstra van Heerdt (T. N. A. G. 2e Ser. XXXI), p. 625—626. — Kruyt, M. N. Z. G. XXXIX, 6. — Idem, Measa (B. T. L. Vk, LXXV), 95.

2) Jacobsen, Reise in die Inselwelt des Bandameeres, p. 22, beeldt een dergelijken ring af, waaraan vier poppen hangen, als een beschermraiddel tegen de chlolera en de pokken, afkomstig uit Saleier.

3) M. N. Z. G. XXXIX, 232. — Adriani en Kruyt, L, 209, 210, II, 131, 132, 225, 290 met pl. „lijkbezorging", fig. beneden. — Kruyt, Measa (B. T. L. Vk. LXXVI), 31.

Sluiten