Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEP IX.

Wapens en krijgskleeding'). I. Aanvalswapens.

i. Lansen.

1456/128. Lans2), de punt lancetvormig, met duidelijken middenrug aan weerszijden en daarnaast over het onderste deel evenwijdige groeven; ronde, wijd uitloopende steel met rondgaande, scherpe bandjes. Sterk verroest. Schacht van palmhout met tonvormig verdikt ondereinde, bovenaan met breede geelkoperen bus en dikken kraag; de bus met vier rondgaande bandjes en daartusschen ingesneden bloemen en bladornament. Scheede van bruin hout, naar onderen dikker, naar boven tulpvormig, bestaande uit twee plankjes, die door twee diagonaal gevlochten rotanringen worden bijeengehouden. Gorontalo.

L. pnnt 43, br. 3, 1. schacht 158, dm. 2 cM.

43/16. Werplans (faloeta), de steel van de punt met twee rijen ingekraste kruisen; korte, effen geelkoperen bus met kraagvormig onder- en boveneinde, onder het laatste een parelrand. Schacht van niboeng*)-hout, scheede van zwart hout, het verdikte boven- en ondereinde door een rotanband van het middendeel gescheiden. Soemalata.

L. pnnt 18, br. 3, 1. schacht 130, dm. 1,6 cM.

1499/20*). Lans, het lemmet vlammend, met vijf bochten, met scheede van donkerbruin hout, van onderen smal en cylindervormig, naar boven verbreed en plat. Korte, ijzeren bus en schacht van palmhout, die uitloopt in den vorm eener afgeknotte pyramide. N.

L. punt 24, br. 2,5, 1. schacht 140,5, dm. 2,3, 1. scheede 35, br. 4 cM.

2. Dolken en messen,

1456/145. Mes (tfembia?*), het lemmet flauw gebogen, de rug eerst recht, daarna concaaf en naar onderen dunner; de snede convex, bovenaan met driehoekig uitsteeksel en daarboven gekarteld. Greep van geelbruin palmhout, knievormig gebogen, het boveneinde min of meer ovaal en daarna puntig; breede, hoornen steelring. Scheede van bruin hout, naar boven breeder, bovenaan aan de snedezijde met bladvormig uitsteeksel; twee plankjes, door twee gevlochten rotanringen bijeengehouden; nabij het mondstuk aan de buitenzijde een geelkoperen oog met wit katoenen draagkoord. Kotobangoen, Bolaang Mongondou. L. lemmet 21, br. 1,8—2,8, 1. greep 9, dm. 2,8, 1. scheede 25, br. 2—7 cM.

43/13. Dolkmes (bladoe6), het lemmet tweesnijdend, krisvormig, met drie bochten en scherpe punt, gedamasceerd, met twee korte bladgroeven in het boveneinde. Greep van kemoening (Murraya exotica L. 7)-hout, in doorsnede ovaal, van boven verdikt,

1) Meter und Richter, Celebes, I, 6—10, 28—29, 37—38, 45. — v. Rosenberg, Reistogten, 31. — Riedel, De Minahassa in 1823 (T. I. T. L. Vk, XVIII), 501. — Idem, Het landschap Boeooi, 1. c. 201. — van Spreeuwenberg {T. N. I. VII, 4), p. 308. — Fov, Schvierter vonder Celebes-See.

2) Meyer und Richter, o. c. p. 37, n° 656 met pl. XXVII, fig. 4 en 4a.

3) Oncosperma filamentosum BI. (de Clercq, p. 292, n° 2487).

4) Serie 1499 aankoop Oct. 1905.

5) Meyer und Richter, Cclebes, I, p. 32, n° 25 met pl. VIII, fig. 17 en 17a.

6) v. Rosenberg, Reistogten, 31.

7) de Clercq, p. 285, n° 2358.

Sluiten