Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Kam (sasoewake1), waarmede de draden der schering uit elkander worden gehouden, vervaardigd van loodrecht tusschen twee latjes geplaatste, dunne reepjes hout.

c. Patroonbreker, een dun, cylindervormig bruin staafje, waaraan de draden der schering door middel van katoenen lusjes zijn bevestigd.

d. Zwaard (balira3), van zwart gepolijst hout met bekvormig gefatsoeneerde uiteinden, dienende om de draden van den inslag aan te slaan.

e en f. Spanstaven, e van bamboe, f van een andere rietsoort (canna), beide dienende, om de draden der schering bij het vormen van het patroon te spannen.

g. Twee inslagstaven, van bruin hout, dienende om het aangevangen weefsel gedurende het weven op zijne plaats te houden. .

h. een cylindervormig staafje van bruin hout, waaraan de uiteinden der scheringdraden zijn vastgeknoopt. ....

i. Ketting- of scheringboom (sesarongka*), een dikke bamboe, die op eenigen afstand van de beide uiteinden van een rond gat is voorzien, om een recht opstaanden stijl bij het gebruik van het weeftoestel er in te plaatsen. Sangir.

L. weefsel 167, br. 56, L borstboom 102, br. 5,5, d. 3, 1. kam 60, br. 4, 1. zwaard 89, br. 4, 1. kettingboom 100, dm. 4,5 cM.

907/2. Weefgetouw, als voren, met aangevangen stuk weefsel van ongekleurde en roode vezels, waardoor grootere en kleinere rechthoeken, Andreaskruisen en hoekvormige figuren, volgens een regelmatig patroon tot breede dwarse banen vereenigd, zijn gevormd. De schering bestaat uit gekleurde, de inslag uit ongekleurde en roode vezels. Het weefgetouw bestaat uit:

i° borstboom van lichtbruin hout met gevorkte einden, waaraan een touw, dat over het midden van een rechthoekig, overlangs gebogen juk, waartegen de rug der weefster leunt, bevestigd is. L. 107, d. 3 X 3,5, ïuk z8> br- 10 cM-

20 Kettingboom, uit een dikke bamboe bestaande. L. 94,5, dm. 5,5 cM.

30 Kam, in den vorm van vele loodrechte rieten staafjes, met touw bevestigd tusschen horizontale rotanstaafjes. L. 62, br. 5,5 cM.

40 Zwaard, van zwart hout, met stomp, haakvormig gefatsoeneerd einde. L. 85, br. 4,5 cM. .

50 dertien patroonbrekers, waaraan de regels der schering met wit katoenen draden zijn bevestigd, bestaande uit dunne houten of bamboestaafjes met in doorsnede vierkante uiteinden, die langs de kanten met vele inkepingen en op de zijvlakken met elkaar kruisende ingegrifte streepjes zijn versierd.

6° een groot aantal inslagstaafjes, bestaande uit smalle bamboelatjes.

70 een bamboelat, 1. 73, br. 3 cM.

8° een spanstaafje van zwart hout, 1. 65,5, dm. 8 cM.

90 een dunne bamboe, die evenals n° 7 en 8 tot het spannen der scheringdraden dient. L. 77, dm. 2 cM. .... A

io° twee houten schietspoelen met gevorkte uiteinden, de eene voor roode, de andere voor ongekleurde vezels. L. 84 cM. Sangir.

1629/95. Weefsel, van wilde pisang (koffo), rechthoekig; de grond ongekleurd, hierop rijen van verschillend gevormde, roode of zwarte, stervormige of uit kruisen en haken samengestelde figuren. Taboekang, Sangir.

L. 180, br. 63 cM.

1629/96. Als voren, doch het patroon bestaat uit rijen ruiten, door zigzaglijnen gevolgd en gescheiden en een kruis insluitend; alles uit afwisselend roode en zwarte blokjes op ongekleurden grond gevormd. Taboekang, Sangir.

L. 174, br. 33 cM.

1) Jellesma, 1. c.

2) Jellesma, 1. c.

3) Jasper, 1. c.

— Jasper, o. c. 332.

— Jasper, L c.

Sluiten