Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den middenrug van het middelste gedeelte gescheiden. Boven den ruitvormigen knop twee en daaronder drie rotanbanden, die evenals de bamboelatten aan de zijkanten door bruin gekleurde varenvezels bevestigd zijn. Aan de rotanbanden aan de binnenzijde met rotan omwoelde reepen over de geheele of halve breedte. Boven en onder aan den middenrug een ring van omwoelde rotanreepen. De beide uiteinden van den rug herhaaldelijk ingekeept. Talaut.

L. 152, br. 15—24, 1. van het rechte gedeelte 100 cM.

1249/24. Schild, als voren, doch het gedeelte boven den knop versierd met afwisselend roode en zwarte driehoeken. Langs den middenrug in het smalle boveneinde een roode en langs de zijkanten een zwarte streep. Dit gedeelte is door een rij afwisselend roode en zwarte driehoeken en reliëf, gevolgd door een rij ruiten, van het middengedeelte gescheiden. Boven. den knop drie en daaronder vijf rotanbanden. De binnenzijde in het bovenste gedeelte geheel versierd met ovalen, die door diagonalen in vier, afwisselend roode en zwarte driehoeken verdeeld zijn. Het puntige uiteinde door eene rij driehoeken en reliëf begrensd. De rotanbanden aan de binnenzijde met bruine varenvezels omwoeld. Het handvat aan weerszijden herhaaldelijk ingekeept. Talaut.

L. 142, br. 13—21, 1. van het rechte gedeelte 100 cM.

III. Oorlogskleeding.

66/40. Antiek borstharnas1), van geelkoper, naar het model der Portugeesche harnassen uit de 16e eeuw vervaardigd. De strook langs de armsgaten, een driehoek op de borst en een driehoek in het onderste gedeelte versierd met bladkrullen en reliëf, een ruit in het midden met eene vierbladerige bloem. De onderrand naar voren gebogen. — Op de Soeloe-eilzadtn vervaardigd en op zeeroovers van Balangingi buitgemaakt*). Siauw.

L. 47, br. 33 cM.

Zie plaat V, figuur 3.

GROEP XI.

Kunst en kunstnijverheid. Spelen9).

1350/5. Snaarinstrument*), bamboegeleding, aan weerzijden door een tusschenschot gesloten, een hiervan met vierkant gat. De zijwand op drie plaatsen afgevlakt, in een dier gedeelten een ruitvormig gat en aan weerszijden daarvan op één en drie plaatsen de opperhuid losgemaakt en door onderschoven blokjes hout gespannen, zoodat snaren gevormd worden. Talaut.

L. 36, dm. 10 cM.

1691/56). Hoofddoek (lènso kapala), van grijze, zijdeachtige kojfo-vezéls*) ge-

1) Vgl. Meyer nnd Richter, Üter Messing-panter in der Molukken-Sec (Ethn. Mistellen*, II, 16—18). — van Hoêvell, I. A. f. E. XVIII, 99, fig. 4.

2) Meyer und Richter, o. c. 17.

3) van Dinter, 1. c. 364—368. — Frieswijk, T. B. B. XXII, 482—483.

4) Cat. R. E. M. IV, p. 65, n° 1002/101 en de daar aangehaalde bronnen. — Bij te voegen: Cat. R. E. M. II, p. 320, n° 370/3695. — Shelford, 18—20 met pl. III, fig. 7. — LingRoth, II, 262, afb. satong. — Ene. v. N. I. 2e uitgave, W, 823: kïtoeng-kïtoeng, 825: kïtmg-këtïng en 825—826.

5) Serie 1691 don. E. E. W. G. Schröder, April 1909.

6) Buil. Kol. Museum Haarlem, n° 10 (Maart 1895).

Sluiten