Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In een kamer, aan één der straten, waardoor de stoet zich bewoog, zat Henriëtte Amélie de Néhra, de vrouw, die den doode tot trouwe genoote was geweest. Tot zij haar taak had moeten loslaten.

Zij droeg rouwkleeding eri boven het zwart blankte haar gezichtsovaal als een fijne bloem op donkeren stengel.

Slechts een jaar had zij in Holland vertoefd: toen had Parijs haar zóó machtig getrokken, dat zij geen weerstand wist te bieden.

In het najaar van 1789 was zij er teruggekeerd en had er den naam van de Mirabeau op ieders lippen gevonden.

Het was haar een bitter-zoete vreugd geweest, te hooren van zijn grootheid, en te weten hoe zij in haar hart die grootheid had voorvoeld.

Als een vreemde gemengd onder het volk had zij hem weergezien uit de verte en haar hart had de oude innige genegenheid gevoeld en de oude warme bewondering.

Toch, toen zij nog eenmaal met hem tezamen kwam, hadden beiden onderkend hoe er teveel tusschen hen gebroken was om opnieuw samen

Sluiten