Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd de rust verbroken door strijd met buurtdessa's, over de waterverdeeling voor de rijstvelden en dergelijke zaken. Maar ook vriendschappelijke betrekkingen ontstonden daarmee. Was ergens in de nabijheid de oogst mislukt, dan ' verkocht men een deel van zijn overvloed voor begeerenswaardige zaken, die men daarginds in ruil wilde geven, of, in wat lateren tijd, voor geld, dat er liitzag als een stukje lak — of droppijp met een vierkant stempeltje daarin gedrukt, iets van eigen, Javaansche vinding naar het schijnt. De kennis van tellen die ze reeds in het stamland bezaten, kwam den Javanen daarbij uitstekend te pas.

Gaandeweg gingen sommige der Javanen, door de geesten met een bizondere bekwaamheid toegerust, zich ook toeleggen op de bewerking van ijzer, geelkoper, zilver en rhinoceroshoorn en ook van schildpad, ivoor en goud. De laatste drie stoffen werden van buitenaf ingevoerd of door de Javanen zelve, die hun scheepvaartkunde van vroeger niet vergeten hadden, gehaald. Java zelf bezat geen schildpadden noch olifanten en evenmin goud in eenigszins belangrijke hoeveelheid Wel schijnt het dat, naarmate de welvaart toenam, er heel veel edel metaal ingevoerd werd. Het materiaal werd op Java door de handwerkers en smeden verwerkt tot sieraden en gebruiksartikelen en deze werden dan uitgevoerd. Zoo bekend raakte het eiland hierdoor in het buitenland dat Java, reeds bij haar eerste optreden in de geschiedenis, d.w.z. bij haar eerste vermelding in een buitenlandsch geschrift2) de naam van „goudrijk" en versierd door goudsmeden" bezat.

Maar grootere beroemdheid had het reeds verworven door zijn rijkdom aan rijst; de verkoop ervan bleef nl. op den duur niet beperkt tot het eiland zelf, doch Hindoesche kooplieden werden er ook afnemers van op hun vaart van Voor-Indië naar China, in West-Java en aan de Noordkust van Midden-Java.

Tegelijk sloegen ze dan vee in en vruchten, die volop en in groote verscheidenheid geleverd konden worden. Het eiland, waar de Hindoes zoo hun teerkost voor de verdere reis opdeden, noemden zij „Het Rijsteiland" bij uit-

i). Geologisch is aangetoond, dat Java nooit goudrijk geweest kan zijn, ofschoon het erts wel, maar dan in zeer fijn verdeelden toestand, in Krawang — in het Paranggebergte en aan de Tjimandiri voorkwam. In 1722 begon de O. I. C. in Krawang met de ontginning, maar de opbrengst dekte de kosten niet en in 1746 staakte men de exploitatie.

De verkeerde meening, dat Java groote goudmijnen bezat kon post vatten, doordat Java en Sumatra (dat wel veel goud opleverde) tezamen vaak „Java" genoemd werden en doordat men later heel veel goud uit den grond haalde, uit oude graven nl. daar men vroeger de gewoonte had aan de gestorvenen gouden voorwerpen mee te geven. (Zie het artikel „Goud" i/d. Ene. v. N. I. I 2e editie pag. 806 en volgende).

*). In het Ramajana nl. een heldendicht in het Sanskrit de oude taai der Hindoes uit Voor-Indië, dateerend uit ± 150 n. C. waarin staat „Doorzoekt zorgvuldig Jawadwipa, dat met zeven koninkrijken prijkt, het goud- en zilvereiland, versierd door goudsmeden".

Sluiten