Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe lang Erlangga dit gedwongen kluizenaarsleven leidde, weten wij niet precies, nog minder: wat er zich onderwijl op Java afspeelde1). Dharmmawangsja's vijand wist zich, naar 't schijnt, een tijdlang te handhaven, hij werd door de andere Javaansche vorsten, waarschijnlijk vroegere vazallen van Dharmmawangsja als opperheer erkend, in de hoop, dat zij en hunne zonen hun inkomsten zouden behouden. Die grootheid schijnt evenwel te zijn gaan tanen en dit kwam Erlangga's getrouwen ter oore. Op zekeren dag nl. kwamen eenige zijner onderdanen (als men bij een wettigen kroonprins reeds daarvan mag spreken) en voorname Brahmanen tot hem en richtten vol vertrouwen tot hem de bede: „Beheersch het land tot aan de uiterste grens!" Het schijnt Erlangga toen weinig moeite gekost te hebben — het rechte wordt ons niet gemeld — het rijk zijner voorouders te heroveren. Hij irjaakte verschillende „boosdoeners" — zijn tegenstanders — onschadelijk en werd in 1010 tot Koning gewijd. In 1019 volgde hierop zijn bevestiging door de Hoogwaardigheidsbekleeders der Boeddhisten, Sjiwaieten en de Brahmanen2).

Hiermede was evenwel de rust nog niet in 't land weergekeerd: er vielen nog vele vijanden te bestrijden. Zoo werd in 1030 een vorst van Wengker over-E wonnen en diens land en residentie het jaar daarop verwoest. Ook een vorst van Woerawari (wiens naam ook genoemd wordt, als er van den val van Dharmmawangsja's hoofdstad gesproken wordt) werd aangevallen. In 1032 had Erlangga te kampen met een machtige Koningin, „een reuzin gelijk, die over een nog onbeschaafde streek in 't Zuiden 3) regeerde. Hij „schoot dien prijs" en verbrandde „als een vlammende draak" haar gebied. Veel buit behaalde hij daar, welke aan zijn dienaren werd geschonken; voor zich alleen behield hij den roem. Een veroveringsoorlog begon hij in 1035, door eerzucht gedreven, tegen Koning Widjaja, die „in het Westen" (?) heerschte. Hij overwon dien vorst wel, maar deze sneuvelde niet, noch viel hij in Erlangga's handen. In zijn kraton trok Widjaja zich als kluizenaar terug. Nu wendde Erlangga andere middelen aan om hem geheel ten onder te brengen: door list — waarschijnlijk omkooping — wist hij Widjaja's volgelingen zoo te bewerken, dat' deze hun heer langzamerhand afvielen en zij hem feitelijk gevangen hielden. Toen Widjaja nu probeerde zijn onbetrouwbare omgeving te ontsnappen, werd hij overmeesterd en omgebracht.

Toen pas — in 1037 — had Erlangga Java (d.i. Oost-Java) van vijanden schoon geveegd: de onderworpen vorsten of hunne nakomelingen, werden zijne vazallen en vormden „den voetonderlaag" van zijne Majesteit. De be-

1) . De inscripties, waarin Erlangga mededeelingen doet ovfef zijn leven, zwijgen daarover.

2) . Waarom dit negen jaar na de gebeurtenis van 1010 geschiedde, is niet duidelijk. s). y/as zij misschien de vorstin van Mahasin (in Oorkonde 60, pag?"T28 e.v. 1

Oud-Javaansche Oorkonden van Brandes en Krom, Verhandelingen v/h Bat. Genootschap IX, 1913) en beleefde Erlangga in dezen strijd hachelijke oogenblikken? De belooning voor bijstand werd in 1034 geschonken.

Sluiten