Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGENDE HOOFDSTUK.

Ken Arok

als Koning van Toemapel of Singosari; Sjri Radjasa of Rangah Radjasa Sang Amoerwabhoemi.

1220-1247.

Van den tijd, welke met Ken Arok, den overgrootvader van den stichter van Modjapahit aanvangt, is meer bekend dan van den voorafgaanden, doordat de geschiedschrijvers van de latere Madjapahitsche Vorsten den voortijd niet vermeldenswaard achtten; voor hen begint de eigenlijke geschiedenis pas met den grooten avonturier, die er in slaagde een koningstroon te verwerven en wiens nakomelingen Java tot den grootsten luister zouden brengen. De kroniek: Het Boek der Koningen, (Pararaton) 1) geheeten, die in 1894 op Lombok te voorschijn is gekomen, begint haar verhaal ook met hem.

Ken Arok was iemand van zoo groote eerzucht, dat hij zich met geen enkel gewetensbezwaar ophield. Om zijn doel te bereiken schrikte hij voor diefstal, roof noch moord terug en op deze wijze bracht hij 't inderdaad ver. Tegelijkertijd had de energieke, drieste jonge man iets zoo innemends over zich, dat zich steeds pleegvaders over hem ontfermden en hem hartelijk liefhadden en ook weet hij dadelijk het hart van de schoonste der vrouwen te veroveren.

Zijn ouders waren eenvoudige landbouwers, die in het gebied van Toemapei woonden. Toen hij later een groot man was geworden, vond men zijn afkomst niet voornaam genoeg en gaf men hem een God, en wel Brahma, tot vader. Bovendien nam Sjiwa hem als kind aan en Wisjnoe incarneerde zich in hem. Daarom mocht hij zich allerlei misdaden veroorloven, welké gewonen stervelingen zwaar aangerekend zouden worden.

Al vroeg gaf hij blijk van zijn misdadigen aanleg: hij ging bij den dief Lembong in de leer, voor wien hij de karbouwen moest hoeden, wat hij zóó slecht deed, dat hij ze kwijt raakte. Toen vluchtte hij, en Bango Samparan, een speler, werd nu zijn pleegvader. Met diens zoon kreeg hij dadelijk ruzie, maar een zeke-

J). Dit is een geschiedverhaal met vele anecdoten, legenden en onjuistheden; voor de vaststelling der geschiedenis van groote waarde, doch mag slechts met de grootste omzichtigheid benut worden (Krom: Verslagen en Mededeelingen Kon. Acad. 5e. R. II. pag. 306).

Sluiten