Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den vloek evenmin meer afwenden als zijn voornemen, om later als*hij tot aanzien zou zijn gekomen, de moord op Gandring goed te maken aan zijne kinderen.

Al was de kris, volgens den nauwgezetten smid, nog niet zóódanig geweest, dat hij hem kon afleveren, toch was ze al buitengewoon fraai en toen Arok er mee in Toemapei kwam, raakte een kameraad van hem, Kebo Hidjo, er zóó over in verrukking, dat hij Arok bad en smeekte die kris te mogen dragen. En de listige Arok, die dadelijk zijn strikken spande, liet zich bepraten. Nu was Kebo Hidjo er de gelukkige drager van, hij pronkte er overal mee en natuurlijk hield ieder hem voor den eigenaar. Toen nu Arok zijn kans schoon zag, stal hij Hidjo heimelijk de kris weer af en doodde er den Vorst mee. De kris liet hij bij het lijk liggen, met het gevolg, dat ieder Kebo Hidjo als den moordenaar beschouwde en de arme pronker werd zonder veel omslag afgemaakt. „Nu moesten de Goden het verder in orde brengen, dat Ken Arok werkelijk met Ken Dèdès huwde; lang verlangden zij het al en niemand van de bewoners van Toemapei durfde iets over Ken Arok's gedragingen zeggen; ook de familie

van Toenggoel Ametoeng hield zich stil, en zoo huwde Ken Arok Ken

Dèdès1)", die de toedracht van den moord op haar man heel goed kende. Kort hierop werd er nog een zoon uit haar huwelijk met den vermoorde geboren, Anoesapati geheeten, die als zoon van Ken Arok opgroeide, maar die, •zonder de oorzaak te weten, wel bemerkte, dat zijn vader weinig met hem ophad. Dèdès en Arok zelve kregen vier kinderen. Later nam Arok nog een tweede vrouw Ken Oemang, en uit dit huwelijk werden ook kinderen geboren, o. a. Tohdjaja.

Ken Arok had door zijn huwelijk een grooten stap voorwaarts gedaan. Hij nam in 1220 als „akoewoe" van Toemapei, Toenggoel Ametoeng's plaats in, alsof hij daar volkomen toe gerechtigd was en zooveel kracht ging er van hem uit, dat niemand zich tegen hem durfde verzetten. Hij ging nu zijn gebied met stukken van het vroegere rijk Djanggala uitbreiden, dat, zooals gezegd is, in verschillende deelen uiteen was gevallen en nadat hij zoo zijn gezag ten Oosten van de Kawi had gevestigd, werd hij door de Kedirische geestelijkheid aangespoord zich vrij te maken van zijn opperheer te Daha en dien zoo mogelijk te verdrijven. Die geestelijken waren uit Daha naar Toemapei gevlucht, omdat Koning Kertadjaja (of: Dangdang Gendis) van hen verlangde, dat zij voor hem de sembah maakten. Zij verzetten zich daar allen krachtig tegen, verklarende: „Heer, er is nog nooit een geestelijke geweest, die voor een Koning een sembah maakte". „Welnu", zei de Vorst, „als men dat vroeger niet deed, maakt gij dan voor mij een sembah" en tegelijkertijd trachtte hij er hun van te overtuigen, dat hij een incarnatie van Sjiwa was. Maar de heeren geestelijken bleven bij hun weigering en vluchtten daarop, uit vrees voor 's Konings toorn.naar Ken Arok. Nu was deze bij zijn plannen van den machtigen

1). Aldus de Pararaton, vertaling van Dr. J. Brandes. Ook het verderop aangehaalde is uit de Pararaton.

Sluiten