Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELFDE HOOFDSTUK.

Tohdjaja.

3e Koning van Toemapei (= Singosari) 1248-1249.

Tohdjaja was, zooals boven gezegd is, de zoon van Ken Arok en diens tweede vrouw, Ken Oemang, en hoewel de moordenaar van zijn halfbroeder (zoon van Ken Arok en Ken Dèdès n.1.) volgde hij dien toch op. Dit schijntl) den hovelingen, misschien ook anderen onderdanen aanstoot gegeven te hebben en waarschijnlijk werkte het mee tot het ontstaan van twee partijen: de één voor de afstammelingen van Ken Dèdès, de andere voor die van Ken Oemang, dus vóór den Koning. Het is mogelijk, dat die tegenstelling al veel langer bestond, want reeds de houding van Ken Dèdès even vóór den moord op Ken Arok maakt den indruk alsof zij. het tweede huwelijk van haar man met leede oogen had aangezien, zóózeer zelfs, dat zij geen enkele poging deed om zijn bedreigd leven te redden.

Het is te begrijpen, dat noch de jeugdige zoon van den pas vermoorden Vorst, Rangawoeni, noch diens neef en boezemvriend Narasingamoertti, een kleinzoon van Arok en Dèdès 2) veel sympathie voor den nieuwen Koning, hun half-oom, koesterden en nog lichter te verklaren is 't, dat Tohdjaja's slecht geweten van dit nevenpaar iets slechts verwachtte. Reeds bij zijn inhuldiging, toen hij omringd zat van zijn ambtenaren en hovelingen, gaf hij dat niet onduidelijk te kennen: „Mantri's", zei hij honend, op Rangawoeni en Narasinga wijzend, „ziet hier mijne neven; hoe schoon zijn zij van uiterlijk en gestalte. Hoe zien mijn vijanden in andere landen er uit?" Gelijk een steenpuist op den navel zouden zij in 't eind zeker tot den dood leiden, was onomwonden het oordeel van een van 's Konings medestanders.

Hoewel de prinsen zich voorloopig rustig hielden en niets tegen den Koning op touw zetten, vertrouwde deze hen toch volstrekt niet en al spoedig gaf hij een zekeren Lemboe Ampal de opdracht het tweetal uit den weg te ruimen: „Als het je niet gelukt", zei Tohdjaja, „dan doe ik 't jou". Gelukkig voor de prinsen werd dit gesprek afgeluisterd door een hen goedgezinden Brahmaan. Hij spoedde zich naar hen toe en vertelde hun, wat hen te wachten stond. „Maar Eerwaarde, wij hebben niets misdaan", waarop de practische

1) . De Pararaton is hier niet duidelijk.

2) . Zijn vader heette Mahisa Wong Ateleng.

Sluiten