Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doordat zij en hare zusters eigenlijk de voortzetsters van de dynastie van SingoT sari waren en haar man pas door zijn huwelijk volledig recht op de regeering had verkregen. Wel was hij de naaste mannelijke verwant van Kartanagara geweest, maar hij was toch slechts de kleinzoon van Narasioga, die een neef was van Wisjnoewarddhana (Kartanagara's vader) en de zoon van Lemboe Tal, den „manmoedigen in den oorlog", die dus een achterneef van Kartanagara was. Uit het huwelijk met deze vier vrouwen werden later alleen twee dochters1) geboren, Sjri Gitardja, (ook: Tribhoewanottoengadewi Djajawisjnoewarddhani) de later zoo beroemd geworden Bhreng Kahoeripan (H. Doorluchtigheid te Kahoeripan), en Dyah Wijat (later: Radjadewi Maharadjasa), bekend als Hare Doorluchtigheid té Daha.

Behalve de genoemde Koningsdochters huwde Kertaradjasa nog een Soematraansche prinses, Dara Petak (wier offideele naam Sjri Indresjwari was), die zijn selir of bijvrouw werd. Deze was met een oudere zuster, Dara Djingga, tien dagen na de verdrijving der Chineezen in 1293, door de toen eindelijk van Soematra terugkeerende expeditie, (door Kartanagara indertijd uitgezonden), op Java gebracht. Haar zuster sloot later een huwelijk op Soematra en werd daar de moeder van den lateren Koning van „Melajoe" (d.i. Soematra) Toehan Djanaka (ook Sjri Marmadewa geheeten) wiens Koningsnaam Adji Mantrolot was. Deze was dus door zijn moeder's zuster familie der Madjapahitsche Vorsten. Alleen Dara Petak namelijk kreeg een zoon, Raden Kala Gemet, die zijn vaders opvolger werd.

Vorst Kartaradjasa was door zijn vier maal bevestigd schoonzoonschap aangewezen den laatsten Vorst van Singosari op gepaste wijze in een graftempel bij te zetten. Van zijn verdrijver en opvolger zal Kartanagara waarschijnlijk geen dergelijk eerbewijs ontvangen hebben. Hijzelf had er nog bij zijn leven voor gezorgd, dat een fraaie tempel met een beeld van ztchzelven als SjiwaBoeddha was opgericht. Deze tempel, de Tjandi Djawi (Oud-Jav. Djadjawa) was op de helling van den Weltrang , vlak bij den Penanggoengan „onbeschrijfelijk prachtig" gebouwd2). Het merkwaardige beeld des Konings stelde Siiwa voor, maar bewees door een Boeddhabeeldje in de kroon tevens het bij Kartanagara zoo geliefde Boeddhisme eer. Dit beeld verdween in 1331 op geheimzinnige wijze^k

Kertaradiasaa^Kt een bijzetplaats voor den Koning stichten te Sagala, te of dichtbij SingosOT; waar de Mijmer-Boeddha Aksobhya met Kartanagara's trekken werd opgericht, een beeld dat „om zijn schoonheid vermaard was in den lande". Later zou er in 1351 nog een herinneringstempel voor Koning Kartanagara te Singosari worden opgericht •), ook met een beeld van den Vorst. Twee portretten van hem zijn ons — voorzoover bekend is — bewaard geble-

2).

Wie de moeders' waren, wordt niet vermeld. Alleen het basement is er van over.

Door den minister Gadjah Mada. Vergelijk noot 1 op bi. 58.

Sluiten