Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu een mannelijke afstammeling aanwezig was, moest deze Koning worden. Zijn moeder deed dan ook afstand van den titel van Vorstin, maar zij bleef als voogdes over haar zoon tot diens meerderjarigheid in 1350 de regeering waarnemen 1).

Even voordat Hajam Woeroek zelf de Madjapahitsche kroon aanvaardde, stierf in 't jaar 1350 zijn grootmoeder (in naam) de groote Radjapatni, zonder eigen kinderen na te laten. Zij ging naar 't „Boeddha-verblijf" terug. Te Bhajalango werd zij begraven2). Een beeld van haar als de godin der wijsheid Pradjaaparamita werd later te Kamal opgericht, dat waarschijnlijk, doch zwaar beschadigd, teruggevonden is.

Zij liet de wereld bedroefd en verbijsterd achter; bij de troonsbestijging van Hajam Woeroek te Madjapahit echter betoonde de wereld (dat zijn de onderdanen van 't rijk) spoedig daarna met blijdschap hare onderdanigheid.

J). In 1343 bleek de Soematraansche Vorst Andityawarman zich zeer goed zijn familiebetrekking met het Madjapahitsche Vorstenhuis bewust te zijn en daarop trotsch te wezen. Hij liet toen n.1. in het rijk van zijn oppervorstin — waarmede hij de groote Radjapatni bedoelde, uit wier geslacht hij stamde en die in 1343 nog in leven was in de stad van den Boeddhatempel (= ?) een verwonderlijk schoone tempel bouwen, om zoo der wereld zijn voorname afstamming kond te doen; tegelijkertijd schonk hij een beeld van Mandjoesjri (den komenden verlosser), dat zich in het Museum van Volkenkunde te Berlijn bevindt.

2). Dit is waarschijnlijk Bajalangoe, op 4 paal ten Zuiden van Toeloengagoeng. Het genoemde beeld is daar, meent men, teruggevonden. (Zie van Stein Callenfels: Oudheidkundig Verslag 1916, 4e kwartaal, pag. 50 e.v.).

Sluiten