Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoorende benoodigdheden en een hooge Sjiwa-tempel. De verblijven en tempels van de Brahmanen en Boeddhisten grensden daar vlak aan.

De West- en gedeeltelijk de Zuidzijde van 't veld was bezet door de gebouwen, met portieken ervoor, van dienstdoende koninklijke en hooge ambtenaren. Ook pendopo's en huizen van de dienaren der Vorstelijke familieleden lagen daar.

De gewone audiëntiehal, bevond zich op 't plein op eenigen afstand zuidelijk van den „mangoentoer" en iets verder, meer naar 't Westen toe, lag een hooggekoepeld wachthuis voor krijgsvolk. Tusschen de audiëntiehal en de poort tot den voorhof van het paleis had men nog een wachthal, waar de lagere ambtenaren uit 't geheele rijk zich in rang opstelden, als zij den Vorst hun opwachting gingen maken en hem hun geschenken kwamen aanbieden.

Bij de poort van den voorhof stonden officieren met troepen, op wacht. Op het voorplein, dat men nu betrad, bevond zich nog een open wachtzaal met zitplaatsen, doch 't mooiste gebouw was er de hal voor de voornaamste audiënties, die hoog en rijk versierd was opgetrokken. Hier stond de „Bangsal Witana", de „hooge troon" van den Vorst, waarop hij zetelde, wanneer hij zijn onderdanen gehoor verleende.

Het Koninkrijk paleis zelve mocht men tot op eenigen afstand niet naderen. De paleizen der Vorstelijke familieleden bevonden er zich vlak bij, alle van steen, met beeldhouwwerk, beschilderingen en met producten van pottenbakkers, op den top, versierd. De hooge geestelijken, geleerden en ambtenaren hadden in deze omgeving ook hun particuliere woningen.

Al die gebouwen vertoonden van buiten groote verscheidenheid van stijl en strekten tot sieraad van de stad, die bovendien door veelsoortige boomen en bloemen verlevendigd werd.

Ook volgens de Chineesche schrijvers waren de rijksgebouwen zeer schoon en indrukwekkend van uiterlijk. De woonhuizen der voornamen, vertellen zij, stonden hoog boven den grond met een steenen estrade er om heen; de kamers waren hoog van verdieping en hadden houten vloeren, die door matten met verschillende vlechtpatronen bedekt waren. Daarop plachten de menschen met gekruiste beenen te zitten. De daken waren met sirap (houten plankjes) bedekt.

De minder soort woningen waren van gevlochten materiaal (waarschijnlijk bamboe), maar hadden alle binnenin een steenen kluis, drie a vier voet hoog, waarin de bewoners hunne goederen van waarde wegborgen. Daar zaten ze altijd op. Ze sliepen niet op bedden of rustbanken, maar op den vloer. Ook aten zij met de vingers. Onophoudelijk waren ze aan het sirih kauwen; alleen als ze gingen eten deden ze de pruim weg. Aan hun gasten boden ze ook altijd sirih aan.

De menschen waren erg gesteld op wit en blauw Chineesch porcelein, op kralen, op muskus en op allerlei soorten linnen en zij. Al die artikelen kochten ze met koperen munten (kèpèngs).

De mannen lieten hun haar lang hangen, ook de Vorst, doch deze droeg een kroon van gouden blaren, een „makoeta." Dat van de vrouwen was

Sluiten