Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kruid paardenhaar), een gezang met gebaren te zingen, wat de vroolijkheid verhoogde. De Koning had onderwijl zijn acht medespelers — allen afstammelingen van ministersfamiliën, die goed hun manieren kenden — uitgekozen en nu begonnen zij met de vertooning van een klucht. Onuitbluschbaar was het gejuich en gelach, dat zij verwekten. Een tragedie lieten zij volgen en zoo treffend speelden zij die, dat 't gansche publiek er in meeleefde en, door medelijden bewogen, weende en bedroefd was.

Toen ging de zon onder en maakte de Vorst een einde aan 't feest. De edellieden namen afscheid en maakten een sembah aan 's Konings voeten; onderwijl stroomde Boebat leeg *).

Behalve dat de Koning de gave van tooneelspelen bezat, beoefende hij ook dé* dichtkunst, die aan zijn hof in hooge eer stond. Zoo was Prapantsja, de dichter der Nagarakertagama (1365) altijd in zijn onmiddellijke omgeving. Herhaaldelijk gewaagt deze er van, dat er bij feestelijke gelegenheden gedichten op den Koning werden voorgedragen; zelfs in Voor-Indië vervaardigde een zekere Boeddhaditja in Conjeveram (toen Kanei geheeten) een dichtwerk op Hajam Woeroek: Maar ook gedichten van andere soort ontstonden onder begunstiging der vorstelijke familie. Mpoe Tantoelar b.v. dichtte in dezen tijd de Ardjoena-widjaja en de Soetasoma, het laatste een romantische omwerking van de geschiedenis van prins Soetasoma, een vóórincarnatie van Boeddha Sjakja-moeni. Zeer veel andere gedichten worden er voor dezen tijd nog genoemd, die met de bovenstaande dit gemeen hebben, dat zij, in tegenstelling met de producten der voorafgaande Oost-Javaansche periode, die vooral Brahmanistisch was, een sterk Boeddhistisch karakter bezitten. Wij weten trouwens, dat Prapantsja een Boeddhistische geestelijke betrekking bekleedde 2) en dat er onder zijn ambtgenooten ook dichters voorkwamen.

De Koning zelve werd tot dichten geïnspireerd door de schoone natuur, waarvoor Prapantsja en andere poëten overigens ook zeer gevoelig waren. De Vorst hield er dan ook van, zijn door de natuur zoo rijk gezegend land, dat door menschenhanden nog verfraaid was, te bereizen. Tegelijkertijd maakte hij van zijn uitstapjes en tochten pelgrimages, door allerlei tjandi's, graftempels en kluizenaarsverblijven te bezoeken. Was de regentijd voorbij, dan ging hij gedurig naar de tjandi's dichtbij de residentie, die vele pelgrims trokken In de Tjandi Panataran, of Palah (op de Z. W. helling van den Keloet in Kediri) die nog in aanbouw was, ging hij Sjiwa hulde brengen en vandaar begaf hij zich dan naar Blitar, Djimoer en het liefelijke Sjilahrit (in de buurt van Blitar) . Ook Djanggala bereisde hij, waar hij dan steeds te Soerabaja hof hield. In 1353 strekte zijn tocht zich in meer Westelijke richting uit: hij

1) In 1362 werd er ter eere van de in 1350 overleden Radjapatni (zie blz. 76) een groot dooden-offer feest gevierd. De godsdienstige plechtigheden werden gevolgd door een schitterende audiëntie, waarop de bezoekers allerlei geschenken aanboden (o.a. een stier, die uit zijn bek geld en eetwaren voortbracht) na afloop hiervan werd er even vroolijk feest gevierd als hierboven is beschreven.

2) . Zie noot 1 op blz. 105.

Sluiten