Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Java kwamen daar mantri's uit Bali en Madoera den Vorst hun opwachting maken en hem geschenken aanbieden; karbouwen, runderen, varkens enz. waarvoor zij kleedingstoffen als tegengeschenk kregen.

In Westelijke richting teruggaande bezocht men o.a. nog de Sjiwaïetische kluizenaarsplaats Sagara, die tooverachtig schoon („net Sjiwa's hemel"), op de benedenhelling van de Lamongan was aangelegd en arriveerde men ten slotte te Singosari in West-Pasoeroean. In de buurt van deze stad lag 's Konings jachtdomein en daar werd, gedurende zijn verblijf in deze residentie, een groote drijfjacht gehouden. Het terrein werd rondom in brand gestoken en door wagens en troepen afgezet. Vele der radelooze dieren werden afgemaakt, maar de neushoorns, gawaja's, wilde zwijnen en andere kwade beesten richtten een groote slachting onder de drijvers aan. De mantri's kwamen dan met hun wagens te hulp en zelfs geestelijken staken en doodden dan wat ze konden. Als de spits zoo was afgebeten, verscheen de. Koning op zijn karos midden in het woud, gevolgd door de mantri's, officieren en geleerden te paard, om de dieren af te maken. Daarna werd er in 't bosch een vroolijke jachtmaaltijd gehouden, waarbij de Koning, die in de beste stemming was, er op pochte, dat hij zooveel meer buit behaald had, dan zijn gevolg, wat tot grappen en gelach aanleiding gaf.

Na nog verscheidene uitstapjes in de omstreken van Singosari gemaakt te hebben, keerde het heele reisgezelschap eindelijk weer naar Madjapahit terug, dat zij maanden tevoren verlaten hadden. Toen met gongslag en klaroengeschal *) Hajam Woeroek de in drommen langs den hoofdweg opgepakte onderdanen naderde, bukten alle menschen in stil ontzag voor hun machtigen Koning.

Behalve Madjapahit bezat het rijk nog verschillende andere welvarende plaatsen, zooals Daha (Kediri) en het reeds genoemde Singosari en zeer belangrijke kuststeden. Het oude Toeban was nog steeds een groote handelsplaats, die in dezen tijd ook door vele Chineesche kooplieden bewoond werd. Grisee, kort voor 1400 door Chineezen gesticht, was onder Hajam Woeroek's regeering een bloeiende stad geworden. Bijna alle inwoners waren er volgens de Chineezen, rijk. In goud, diamanten, schildpad en andere kostbaarheden werd er druk gehandeld. Soerabaja, de residentie van Djanggala, had een slechte haven, maar was toch in weinige tientallen van jaren de voornaamste koopstad van het rijk geworden. Ze was druk bevolkt en telde ook vele Chineezen onder haar bewoners. Tjanggoe, aan 't begin van de Brantasdelta, was nog de havenplaats der hoofdstad.

De Oost-Javaansche koopsteden begonnen reeds in dezen tijd een gewichtige rol te spelen in de ontwikkeling van Java, waarop later de aandacht zal gevestigd worden.

De handel was sinds 1300 in het rijk eer toe- dan afgenomen, dank zij de overzeesche bezittingen, wier producten zich vooral naar de markten van

i). In Madjapahit werden als trompet ook de hooge ronde Sjanka-schelpen gebruikt, die de Badjo's op de Kusten van Borneo en Celebes nog als zoodanig kennen.

Sluiten