Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nachts te ontvluchten. Hij werd echter op de hielen gevolgd door een zekeren Raden Gadjah — ratoe anghabaja —, die er in slaagde hem1 aan boord te achterhalen en te dooden. Het hoofd van Wirabhoemi werd naar Madjapahit gezonden.

De moordenaar Raden Gadjah, genoot gedurende Wikramawarddhana's verdere regeering de gunst des konings, maar hij had aan 't hof ook een partij tegen zich — een dochter van den vermoorde was immers de vrouw van den koning — die hem later wist om te brengen.

Roemvol noch gunstig voor het volk was Wikramawarddhana's tweede regeering. De Buitenbezittingen bemerkten al ras dat Madjapahit in den zesjarigen strijd tegen Wirabhoemi verslapt was en dat de verdeeldheid op Java hun ten goede kon komen.

De tactiek, die men dan buiten toepaste was vaak deze, dat men zich onder de bescherming stelde van China, dat verder afgelegen, allicht een minder drukkend gezag dan Java zou uitoefenen. Een potentaatje in Broenei (in 't Noorden van Britsch-Borneo) b.v. stelde den Chineeschen Keizer voor, aan hem, in plaats van aan Java, zijn jaarlijksche schatting van veertig kati kamfer te betalen en de Chineesche Vorst, die daar tegen geen bezwaar had, gaf aan Java bevel niet langer dat tribuut te eischen.- Of Java er zich aan stoorde, meldt de geschiedenis niet, maar een dergelijk optreden zou Broenei gedurende de regeering van Koning Hajam niet gewaagd hebben.

Indragiri — op Soematra — en Siantan — een der Anambas-eilanden — dreigden op dezelfde wijze voor Java verloren te gaan.

En Malaka, dat pas kort te voren gesticht was en dat, door streng Mohammedaansche vorsten bestuurd, snel opkwam, maakte tusschen 1408 en 1415 aanspraak op Palembang.

De Buitenbezittingen begonnen dus af te vallen, een proces, dat zich in steeds sneller tempo voltrok, maar waarover niets meer gemeld wordt.

In het rijk zelf werden de toestanden ook minder gunstig. De „groote" binnenlandsche oorlog had, gelijk van zelf spreekt, met zijn doodslag en verwoesting, armoede na zich gesleept. In 1426, vertelt de Kroniek der Koningen, (die hoe langer hoe minder mededeelzaam wordt), had de groote hongersnood plaats.

De zeden gingen eveneens achteruit; een menschenleven werd niet meer geteld. Het krissteken was voor de Javanen toen een pleizier. Een Italiaansch reiziger vertelt, dat, wanneer de Javanen een nieuw wapen hadden gekregen, ze die even probeerden op een voorbijganger, en dat, wanneer een mooie snede gegeven was, de aanvaller werd bewonderd. Spelen, dobbelen en wedden bij hanengevechten, waren aan de orde van den dag.

In 1428 overleed de Koning, die op dezelfde plaats werd bijgezet als indertijd de Radjapatni, n.1. te Bhajalango, ook Wisjesapoera geheeten. Hij werd na dien tijd veel met den naam van Hyang Wisjesa aangeduid, dien hij in 1415 al had aangenomen.

Sluiten