Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het blijft ons volslagen duister wat er in dien tijd in het rijk of aan het hof voorviel.

Vrij algemeen wordt tegenwoordig aangenomen, dat Madjapahit in 1478 viel. Een Hindoevorst was zijn veroveraar, Ranawidjaja Girindrawarddhana, wiens rijkje opgekomen was in N.O. Kediri en Z.W. Soerabaja en Keling heette !). Men houdt het ervoor, dat hij een zoon was van Bhre Daha, die in 1437 onder Soehita's regeering genoemd wordt. Hij veroverde, naar waarschijnlijk is,-niet alleen 't oude Djanggala en Kediri, maar „bestond ook den strijd tegen Madjapahit", gelijk een oorkonde ons meldt, en noemde zich in 1496 Vorst van Wilwatikta (d.i. Madjapahit in 't Sanskrit) Daha, Djanggala en Kediri. Na de verovering op den bovengenoemden Bra Widjaja V verwoestte hij Madjapahit niet; de stad wordt nog in 1521 als een groote plaats en ook nog in 1541 genoemd. Maar hij vestigde zich niet in die residentie, zoodat de vroegere hofstad haar luister verloor. Bovendien vluchtten vele, vooral aanzienlijke, families, die niet onder de vreemde machthebbers wilden staan, naar Bali, tot waartoe de hand van den veroveraar niet reikte. Anderen begaven zich naar Oost-Pasoeroean, waar zij zich tot den laatsten man toe tegen hunne vijanden verdedigden in een vesting Koeta-teboe (Kota Rosan, in de vroegere afdeeling Lamongan in het Bosch Kreka, district Lengkir), waar in 1907 nog een weinig van was overgebleven.

Door dat uittrekken kwamen, behalve de paleizen, ook de fraaie huizen der vroeger zoo druk en rijk bevolkte stad leeg te staan. Het gevolg was, dat alles slecht werd onderhouden en langzamerhand in verval kwam.

De overblijfselen van de stad zijn weinig talrijk en zeer vervallen; van den baksteenen ringmuur, van eenige tjandi's en een paar poorten is nog 't een en ander aanwezig. Ook vindt men er enkele graven, wat beeldhouwwerk en een —nu geheel opgevulde — vijver. Het feestterrein Boebat meent men ook teruggevonden te hebben, evenals de basis van den sitinggil. Misschien dat een systematische ontgraving van het oude stadsterrein nog iets meer aan het licht brengt.

De groote rol, welke de Hindoes eeuwen lang in Oost-Java gespeeld hadden, raakte langzamerhand ten einde. Zij kwamen op den achtergrond en verdwenen ten slotte van 't tooneel, om plaats te maken voor de belijders van den Islam, die met nieuwe denkbeelden de Javanen voor zich kwamen winnen. Dat dit reeds gebeurde gedurende het bestaan van Madjapahit, zal in een volgend gedeelte, dat betreffende de Islam-heerschappij, meegedeeld worden.

Daar de bewoners van Java niet allen tegelijk, noch op dezelfde wijze tot den nieuwen godsdienst overgingen, is het natuurlijk, dat vele ideeën en ge-

De beschouwingen hierover zijn ontleend aan het Oudheidkundig Verslag van 1915, le kwartaal (Bataviaasch Genootschap) waarin Dr. N. J. Krom eenige opmerkingen aangaande den val van Madjapahit meedeelt van den oud-regent van Modjokerto R. A. A. Kromo Djojo Adinegoro. Deze veronderstelt, dat Ranawidjaja nog een afstammeling is van Erlangga.

Sluiten