Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten opzichte van het privaat-bezit — in de typisch-maatschappelijke geringschatting tegenover bezitloozen, „boeven en gepeupel" die „anderen den schuld geven van wat ze door eigen luiheid en onbekwaamheid bedorven hebben" (vergelijk hiermee nog eens weer de dialoog in de Inleiding van Morus' „Utopia") en niet onvermakelijk ook in het remplacantensysteem! De „algemeene verplichting" tot krijgsdienst wordt, ook al weer met verbluffende spitsvondigheid, ten behoeve van de bezittenden en hooggeplaatsten volkomen weggegoocheld.

Hobbes' staatstheorie is stellig een monument van juridische geslepenheid — boeiend van valsche spitsvondigheid — en daarbij de schitterendst-denkbare zegepraal van den Wil (het Moeten) over de Intelligentie — maar er zijn oogenblikken, dat de moderne lezer, als hem éven zijn redelijkheid ontglipt, met Hebbel verzucht: „Einen Wahnsinnigen zu sehen oder einen Menschen, der mit Scharfsin und Verstand das Absurde zu beweisen sucht — ich weisz nicht, was einer schauerlicheren Eindruck macht."

Zoo zien we het verschil tusschen Hobbes en zijn tijdgenooten teruggebracht tot een verschil in uitgangspunt, maar niet in conclusies. Want wat deze betreft had Hobbes zoo goed als Bossuet in zijn „Politique tirée de la Sainte Ecriture" van de Schrift kunnen uitgaan. Dat hij het niet deed en als Pascal de redeneering en de overreding verkoos — om toch tot het Rome der Gezagsvereering te komen, waarheen toen nog vele wegen leidden — stempelt hem tot modernen geest, tot een dier merkwaardige persoonlijkheden, waaraan de zeventiende eeuw zoo rijk is, die met het kompas der twijfelende redelijkheid in de hand, ronddolen in het rijk der dogmatische stelligheid, omdat daar alleen licht ontstoken is, en ook het scherpste oog niet in den nacht kan onderscheiden.

Sluiten