Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem was geleerd — maar met het vaste en uitgesproken voornemen langs dien weg tot een nieuwe stelligheid te komen, in de vaste en uitgesproken overtuiging dat „De Waarheid" te vinden en te formuleeren is. En hoewel hij zijn vermogen om te twijfelen ten opzichte van de blinde kudde als een superioriteit aanmerkt — voelt hij dien twijfel ten opzichte van God als een inferioriteit: het beroemde „bewijs" voor Gods bestaan, afgeleid uit het „ingeboren begrip" van Gods volmaaktheid, berust vooral op de overweging dat een met-twijfelende God volmaakt is boven een twijfelenden mensch. En zoo onverdraaglijk, zoo ondenkbaar lijkt hem een leven zonder positieve grondslagen, dat hij gedurende den tijd, waarin hij bezig is, zijn op den twijfel gebaseerd geestesgebouw op te trekken — zijn intrek neemt in een soort „hulpgebouw" (we volgen hier zijn eigen beeldspraak), opgebouwd uit de „gangbare dogma's en tradities van zijn tijd." Precies datzelfde doet ook Augustinus, naar zijn eigen zeggen, wanneer hij in Milaan Ambrosius heeft leeren kennen, en dan niet langer Manicheeër is, maar ook „nog geen Katholiek." Tusschen alles dobberend, besluit hij dan „op de manier der Academici, die beweren dat men over alles moet twijfelen" als catechumeen in de Katholieke Kerk te blijven, die hem door zijn ouders was aanbevolen, totdat het licht der zekerheid „hem zou wijzen, waarheen de koers te richten."

Noch in Augustinus — in wien de oude twijfel voor goed ondergaat — noch ook in Descartes — in wien de nieuwe twijfel pas opgaat — huist de ware levende zelfbetwijfeling, het gevoel van eigen gebondenheid en afhankelijkheid in ook maar eenig zelfwantrouwen tegenover het gemak, waarmee ze zich voegen en thuis gevoelen in hun „hulpgebouw". Het komt niet in hen op, dat ze, wat ze meenen te zoeken, reeds gevonden hebben — geen van beiden zijn ze nog waarlijk

Sluiten