Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hechtheid der collectiviteit schadelijke!) dwalingen vermag te aanvaarden, zonder den dwalende te willen straffen. En ook. deze onderscheiding zal onmiddellijk worden gevoeld» zoodra het collectiviteitsinstinct (zin voor nut en tucht) gaat afnemen, en dan zelfs door vrij middelmatige denker*» doch ze kan niet worden gevoeld, waar het collectiviteitsgevoel nog bloeit, en dan zelfs niet door groote denkers! Want we zien (onderscheiden) slechts daar, waar licht isontstoken en we steken zelf dat licht niet aan. We gelooven niet wat we zien, maar we zien wat we gelooven. Ook voor deze erkenning — waartoe we wel altijd bereid zijn» maar die we toch ook altijd weer verloochenen — is de persoonlijkheid van Descartes in zoo hooge mate leerzaam.. Want wat voor hem geldt, geldt ook voor onzen eigen tijd en ook voor ons eigen denken — ook wij denken binnen gestelde perken, ook al vinden we in ons bewustzijn schijnbaar minder „ingeschapen ideeën", ook ons denken reikt niet verder dan onze functie tot het Absolute gaat. Maar het onderscheid is steeds weer dit, dat wij het weten en dat Descartes (en zijn tijdgenooten) het niet wisten en aan hun „ingeschapen ideeën" algemeene bewijskracht toekenden, omdat ze nog niet (ver)mochten zichzelf als moment op te: vatten. Dit immers is zelfbetwijfeling, zelfonderscheiding — opheffing, ontbinding.

Over Hobbes sprekend zeiden we: bij had, zoo goed als Bossuet, van de Schrift kunnen uitgaan — op dezelfde wijze is de scherpzinnige Cartesiaansche theorie over de „ingeschapen ideeën" terug te brengen tot de simpele uitspraak van den weleerwaarden Samuel Johnson: „Sir, we k n o w our will is free, and there 's an end on it." Want deze uitspraak, hoe ook geleerd en pompeus-wetenschappelijk ingekleed, is ten slotte de uitspraak van alle egocentrischen in alle tijden, die allen aan hun ervaringen, ontdekkingen, vin-

Sluiten