Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

egocentrisch automatisme der anderen, die voortdurend zelf doen wat ze anderen verwijten, voortdurend van hun belangen idealen, van hun nooden deugden en van hun tekorten systemen maken — noodzakelijkerwijs den humor, de ironie weer in de geesten en in de litteratuur terug. De humor ontstaat immers steeds waar een gevoel van betrekkelijkheid, ook eigen betrekkelijkheid, zich wrijft tegen het fanatisme, de verblinding, den haat en de onverdraagzaamheid rondom — en toont dus in den „humorist" de afwezigheid van dat fanatisme, die verblinding, haat en onverdraagzaamheid, dat is, de afwezigheid van collectivistisch dogmatisme. Daarom is de humor, we zagen het, anti-maatschappelijk, daarom heeft Bossuet de ironie instinctief „in strijd met een Christelijke levensopvatting'' gevoeld, daarom ontbreekt de humor in de „groote klassieken" van de zeventiende eeuw, die zoo zuiverlijk de theologisch-rniHtaiostische (of kortweg: collectivistische, want elke collectiviteit is op haar wijze theologisoh-militairistisch) instincten weerspiegelen. Ook Molière, we zeiden het reeds eerder, heeft den humor niet gekend, hij, de Jupiter-aanbidder, hij is het genie van de hoog-comische situatie, maar de ironie (van den Humanist en den achttiende-eeuwer, van Erasmus en van Voltaire) is hem zoo vreemd als Bossuet het maar verlangen kon. Alleen Xa Fontaine.... maar knopt niet reeds geheel en al de achttiende-eeuwsche geest in hem, den vriend en beschermeling van Rochefoucauld, wiens fabelen verfijnde en verbeelde „maximes morales" zijn? Uitdrukkelijk heeft hij zelf een 'dier fabelen — „Les lapins" — een dichterlijke interpretatie van Rochefoucauld's „Maximes morales" genoemd. Welk een curieuse figuur vormt hij in zijn verhouding tot Koning en Hof (de collectiviteit) tusschen den afhankelijken Racine, die zich gracieus en waardig krommen kon („Servir le Roi, c'est encore servir Dieu!") en den onafhankelijken Le Sage.

Sluiten