Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug — in Duitschland daarentegen hief zich het Deïsme tot pantheïsme op, aanvankelijk onbewust, dan onbeleden, ten slotte bewust en beleden. Dit kon niet uitblijven. In de

£ vaag-monotheïstische opvatting van het Deïsme, waar „God" zich eigenlijk nergens bevindt, kan de doordenkende geen vrede vinden, evenmin in het materialistisch atheïsme, dat voor „God" onverschillig is, omdat het een andere taak te verrichten, een andere functie te vervullen heeft — en zoo moest het dan door de formule „God is in alles", die het onderscheid tusschen Schepper en Schepping, de laatste, de groote, fundamenteele distinctie niet opheffen kan, noodzakelijkerwijs komen tot het pantheïstische „God is alles", waarin de volkomen Eenheid is bereikt, alle dualisme weggevallen, alle distinctie opgeheven, zelfs die tusschen Schepper en schepsel, tusschen Geest en Stof, en daarmee tusschen Goed en Kwaad, tusschen „minder" en „beter".

J Zoo beleefden het de Duitsche Hamiets, dichters en denkers, min of meer volledie-, naar rl* mat» v,„„„~,

lijke krachten. Want altijd en in alles „pantheïstisch" te voelen, is den uit distinctie-wil ontstanen, krachtens distinctie-drang levenden hiensch een ondoenlijkheid, hjj mag niet, kan niet voortdurend de Eenheid (begrijpen, dit begrijpen ware zijn, ware de dood van den mensch als individu. Het gaat hem op het allerbest zooals het Faust met den Aardgeest ging:

„Hab' ich die Kraft, dich anzuziehen besessen, So hatt' ich dich zu halten keine Kraft." Daarbij stond iedere collectiviteit, kerkelijke en maatschappelijke, dreigend tegen het bewuste en beleden pantheïsme gekant. Want pantheïsme en atheïsme golden gelijkelijk verderfelijk en beteekenen in de collectiviteit ook beide inderdaad een afwijzen van algemeene moraal, waartegenover de „atheïst" onbewust en de pantheïst bewust

Sluiten