Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

viteit moet „optimist" zijn en het leven „schoon" heeten, waarvan hij niets weet noch iets weten wil — daar hij immers elkeen, die hem tracht naar waarheid in te lichten, als „cynicus" de deur wijst — om dengeen, die van dat „schoone leven" niets terechtbrengen kan, als misdadiger te kunnen aanklagen en straffen, of wel als „slecht" en „gemeen" te verachten. Het volkomen onvermogen, de onwil om het kwaad te erkennen als fundamenteel — en den „misdadiger" als een noodzakelijkheid — is het kenmerk van den maatschappelijke en doet zich voor als optimisme. De slaafsche gehoorzaamheid aan, de laffe vrees voor een naar eigen beeld geschapen stamgod, het in verband daarmee buitensporig ophemelen van materieele weldaden en aardsche zegeningen, is evenzeer een uiting van optimisme. Daarom en in dien zin is het materialistische, nationalistische, monotheïstische (dit alles is hetzelfde) Oud-Testamentische Jodemdom optimistisch.

Van dat „obligate optimisme", (zooals Schopenhauer het uitdrukt), is de zelfmoord die meest krasse weerlegging en dit versterkt nog den afkeer, dien de West-Europeesche monotheïst er reeds uit anderen hoofde tegen gevoelt. Wij voor! ons achten den hoofdzakelijken grond van dien afkeer gelegen in het feit dat de zelfmoord een eigenmachtige handeling is, waardoor het individu bezit neemt van zichzelf, elke onderworpenheid opzegt, zoodat hij dus vooral als symptoom van individualisme wordt aangezien en gevreesd. Maar daarnaast speurt het maatschappelijk instinct in den zelfmoord een aanval op het maatschappelijk optimisme, 't welk staande houdt, dat ieder in dit schoone leven slagen kan, die maar „braaf" en „vlijtig" is, om zich boven den niet-slagende te kunnen verheffen. Daarom geldt ook nog immer, zoo vertelt ons Galsworthy, het aanroeren van ethische en sociale vraagstukken, anders dan in het heel vage en con-

Sluiten