Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— voor „objectieve waarheden" houdend, leek hun naast den hoogen ernst hunner eigen werkzaamheid het betrekkelijkheidsbesef van den filosoof, die geen andere „waarbeid" ziet dan de zich eeuwig ontplooiende werkelijkheid, geen hooger bezigheid kent dan het altijddoor bewuste meebeleven van die werkelijkheid, een futiel en ijdel tijdverdrijf. Zóó stond immers steeds de stelligheid tegenover den twijfel, let dogma-geloof tegenover het «ilativiteits'besef. Auguste •Comte beschouwt met een in onze oogen weer beminnelijke zelfingenomenheid — die als steeds, pas in de kleinere navolgers tot onverdraaglijke pedanterie is ontaard — de „militair-theologische periode" (zeventiende eeuw) en de „filosofische periode" (achttiende eeuw) als de voorbereidende werkzaamheden van den nog niet tot de zware taak van het echt-wetenschappelijke denken gerijpten menschelijken geest. De philosophie positive is het einde aller dingen — zij alleen zal een „harmonie réelle et durable" brengen en alle dingen hun eeuwige plaats, hun „valeur effective" aanwijzen. „ILs inventent (de metaphysici), nous -découvroïis." Ook bij Buckle, een van Comte's nauwste geestverwanten, struikelt men telkens over .yincontestable truths", — en in een curieuse opmerking over Plato gaapt ineens weer de nimmer door begrip te overbruggen kloof (want b e g r ij p e n is immers z ij n !), die den drager van den Levenswil van den drager van den Doodswil, den steller van den opheffer, den in welken zin ook geloovige van den zoekende scheidt.

„Plato was struck by the extreme difficulty of finding a Standard in the human mind, whereby we may test the truth or falsehood of spectral phenomena and dreams. And the only conclusion to which this consumrnate thinker could arrivé, was that whatever appears true to the indivi-

Sluiten