Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wens Toergenjef zelf, die in een rede bij de onthulling van een standbeeld voor PoesjHn zijn landgenooten „Hamlets" heeft genoemd — getemperd dan door die redelijkheid tot een besef, dat niet alleen bepaalde klassen en groepen „schuldig" zijn, maar elkeen, voor zoover hij van de toestanden profiteert of er in berust en aan de leugens meedoet — dit complex van krachten en inzichten heeft den Rus al vroegtijdig — in de jaren ongeveer dat Thackeray zich verteederde voor zijn edelaardigen kolonel — de formule in den mond gegeven, die de gansche moraal en de gansche inhoud is van Gogol's „Doode Zielen" — „O, wat een boosaardig beest is toch een fatsoenlijk mensch !"

Precies ditzelfde demonstreert Shaw, zonder haat en zonder afgrijzen, want zijn „contented pessimism" kent haat en afgrijzen niet — gestuwd door een „moral passion", een werkelijkheidszin, die als radium door de verwarde problemen van onze gecompliceerde moderne samenleving straalt en er zonder verpoozen, zonder schroom, het duistere en verborgene van blootlegt. Naast elkaar staan als overal de „slechte mensch" — de huisjesmelker Sartorius, wiens „respectabel" uiterlijk de hoon is aan gangbare maatschappelijke waardebepalingen — en de „goede mensch" — de eerlijke, fatsoenlijke kerel, de „gentleman" Dr. Trench — in „Widowers Houses" ter vergelijking. Voor Addison en zijn gelijkgezinde tijdgenooten gaapte er een afgrond tusschen den „slechten mensch" en den „goeden mensch" — waarmee volstrekt nog niet eens gezegd is dat deze goede heden in een huisjesmelker een .slecht mensch" zouden hebben gezien — voor Thackeray is de kloof al veel smaller, het onderscheid aanmerkelijk geringer, al vraagt hij niet, h o e de edele kolonel aan zijn geld kwam — maar Shaw demonstreert „slechte menschen" en „goede menschen"

Prometheus. 46*

Sluiten