Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ineens leek het Keetje op te vallen, dat zij in 't geheel niets zei:

— Aagje, wat ben je stil?

— Hoofdpijn, zei Aagje gesmoord, en:

— Och, zoo opeens? zei Keetje, met oppervlakkige meewarigheid, maar toen keken zij beiden naar Otto en Cornélie, die daar nog stonden, oog in oog, zoo stralend jong en gelukkig, dat Aagje snel haar oogen nedersloeg. Haar hart beefde in haar borst. Zij kon niet meer... o, lang moest het niet duren, of...

Hoe zij den verderen tijd doorkwam, wist zij later niet meer. Maar eindelijk was de foltering voorbij en Otto vertrokken, echter niet zonder uitnoodiging van Keetje, om tijdens zijn Rotterdamsch verblijf „hun huis als het zijne" te beschouwen.

En opgewonden, verrukt was Cornélie tante Keetje om den hals gevallen:

— 0, tantetje, wat een allergezelligst partijtje! dank u wel voor al 't genoegen, hoor! Wat 'n aardige jongen, hè?

— Ja, zoo eenvoudig en hartelijk, zei tante Keetje. Maar méér hoorde Aagje niet. Zij voorzag, dat nu zij aan de beurt kwam, om door Cornélie onstuimig te worden omhelsd, en zij vluchtte letterlijk naar haar kamer.

Zij deed de deur op slot, en viel neer op haar fauteuil bij den haard, waarin het houtvuur nog breede, spelende weerschijnen wierp door het donker vertrek. Zij begreep, dat zij wel niet gestoord worden zou, en dat Keetje Cornélie wel

Sluiten