Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude Aal, die tegenwoordig, als Cornélie helpen moest, nooit anders had dan een foei! gezicht, en die zich meermalen had verstout, het foei, dat uit haar oogen blonk, en dat de opeengeperste lippen al te moeilijk tegen-hielden, openlijk uit te spreken, met de bijvoeging „dat het lang niet mooi was van juffer Cornélie, om die goeie, ouwe dames zooveel verdriet te doen, wel foei, wel foei, — de oude Aal hielp Cornélie met haar bruidstoilet. Cornélie had geopperd, tot dat doel de naaister te laten komen, maar Aal liet het zich „niet ontnemen", de juffer te helpen voor de laatste maal, met een sterk verwijtenden nadruk op dat „laatste maal".

Aal, met haar droge, oude vingers beves igde het kransje van oranjebloesem op Cornélie's blonde hoofd met de gevlochten tressen langs ooren en achterhoofd. Van het kransje hing een kostbare kanten sluier af, tante Keetje's eigen bruidsluier, dien zij aan haar pleegdochter afstond, „omdat zjj dien nu eenmaal altijd voor haar had bestemd". Het bruidskleed was, hoe eenvoudig ook, toch „ryk", vond Aal; het was van zijden léontine, met een zilverwitten glans, hoog aan den hals gesloten, en met lange sluitende mouwen; de overjapon was aan den achterkant breed en sierlijk gedrapeerd, en de onderrok viel in kleine fijne platte plooien neer op den grond. Om den hals droeg zij een parelsnoer, een geschenk van tante Aagje, dat deze zelf als jong meisje had gedragen. „Zij zou het toch aan Cornélie hebben gegeven, voor zij dood ging", nu moest

Sluiten