Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men zijn meegebrachte boeken hebben mag, de maandcommissaris van het regentencollege dat in het boek aanteekent.

Of hij mijn boeken dat signatuur waardig keuren zal? 't Zijn niet de eersten de besten, die ik mij tot cel-gezelschap koos: Bosboom-Toussaint, Carlyle, Emerson, Kropotkin, Thomas a Kempis, behalve mijn bijbel en kerkboek. Boeken, waar je hart altijd naar uitgaat, en waar je, met je drukke leven en je dagelijksche lektuur, die je door moet, toch zelden aan toekomt.

Het is bijna ongelooflijk, nu ik hier zoo kalm zit, dat ik een „gevangene" ben. Maar het celraam is hoog en getralied, en in de gang hoor ik zware sleutels rammelen.

Zooeven was ik een poosje „buiten": op het met hooge muren en ijzerdraad afgesloten binnenplaatsje, waar men „gelucht" wordt.

Ik had een gelukkig gevoel, terwijl ik daar liep. Ik dacht aan Oscar Wilde's gevangenisgedicht, waarin hij den man beschrijft, die op den dood gevangen zat, en dien Wilde dan bij het vertreden tegenkwam. Daarnaast was mijn „luchten" kinderspel.

Ik dacht aan zooveel gevangenen, die neergeduwd worden door het gedenken aan hun leven daarbuiten en hun misdaad. Wilde heeft in dat gedicht van hem zoo'n ontzettenden regel:

„For each man kills the thing, he loves". . .')

Moet ik dat nog ervaren? Heden voelde ik mij opgeheven door het goddelijk beginsel, waarvoor wij strijden.

Ik dacht aan de eerste christenen, die gevangen zaten, met de arena en de leeuwen in 't vooruitzicht. Ik dacht aan de Russische revolutionaire gevangenen.

') Want ieder doodt hetgeen hij liefheeft.

Sluiten