Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goddank, dat je geen gevangeniskleeren aanhebt!"

„Je valt me mee, zeg! Je bent in die week nog volstrekt niet vervallen".

„En je staat er zoo kalm bij. Net, of je thuis bent!"

„Zoo", zegt het jonge meisje van het gezelschap, om zich heen ziende, „is dit nu uw cel".

De juffrouw en ik lachen.

„Nee?" vraagt ze. „Maar dan mogen we toch wel even mee naar uw cel?"

De juffrouw en ik lachen weer. Ik stel mij een theeservies op de celtafel voor, en het stralende jonge meisje, op den vastgekettingden stoe! de honneurs waarnemend . . .

De ouderen doen bezorgde vragen over voeding, ligging en thuiskomst.

Ik vertel hun allerlei, o.a. van het stukje vleesch, dat 'k in de gort gekookt kreeg, maar dat ik, omdat je noch mes noch vork tot je beschikking hebt en ik het met den houten lepel moeilijk bewerken kon, maar in de gort liet liggen.

Het algemeen oordeel luidt, dat die dingen voor zoo'n korten tijd te dragen zijn, maar als 't nu langer duurde?

Ja, dan zou je je moeten aanpassen, en dingen doen, die je nu eenmaal, krachtens je opvoeding, een gevoel van zelfvernedering geven.

Zij zijn verontwaardigd, maar samen lachen we er toch om, en een zegt, dat 't in de Russische gevangenissen nog anders toegaat.

De bedruktheid, waarin ze binnen kwamen, is weg. Ze denken aan vrienden, die groeten meegaven ; informeeren, of die al heeft geschreven en deze; vragen, of ik al van den opstand te Dublin heb gehoord, bieden aarzelend, op hope tegen hope, bananen aan, die de juffrouw natuurlijk voor mij afwijzen moet...

Daar knarst de sleutel — de brigadier deelt mede, dat de tijd verstreken is.

Een verward geroep van allerlei groeten, een unhei-

Sluiten