Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Het gebod van eendracht en broederliefde en den zedelijken arbeid aan zichzelf enz.

8. De plicht van stilzwijgendheid tegenover niet-metselaren en van het geheimhouden der magonnieke gebruiken, vooral de herkenningsmiddelen, zoomede het dekken der Loge.

9. Het recht der deelneming van eiken metselaar, zelfs van de leerlingen, aan de magonnieke wetgeving en verkiezing, met betrekking tot de Groot-Loge."

Daargelaten de punten 3, 6, 8 en 9, die ook tot de constitutie of gebruiken van velerlei andere vereenigingen of organisaties konden behooren en niets zeggen omtrent het goede &oz\ en wezen der vrijmetselarij, dragen deze door br. Findel opgegeven 'landmerken' in ieder geval het karakter van magonnieke kenmerken, en steken ze daarom verre uit bóven de door het Textbook en de Encyclopaedia opgegevene, die het eenvoudig niet zijn. Toch zijn, naar mijne waardeering br. Findel's 'landmerken' ook nog maar secundaire en niet wat men met goed recht 'de Groote' zou mogen noemen. Dit wel om deze voorde-hand-liggende reden : dat zij alle slechts wijzen op zekere uiterlijke gevolgen van het wezen der Vrijmetselarij en geen poging doen om dat innerlijke zelf aan te duiden door eenigerlei algemeene formuleering. Daar komt punt 24 van br. Mackey nog nader bij.

Van eene algemeene vaststaande en onveranderlijke reeks magonnieke landmerken blijkt niets te bestaan. 'Groote Landmerken' d.w.z. primaire, kan ik nergens vinden.

Op de slotvraag „Welke zijn de magonnieke Landmerken'' kan br. Van der Gon dan ook niet anders ten antwoord geven, dan dat om tot de „derde en allerhoogste soort, de Landmerken der Wre Vrijmetselarij" te komen — bedoeld zijn hier klaarblijkelijk de primaire, de 'Groote' — eerst „aan zekere voorwaarden voldaan [moet] zijn", namelijk :

„1. moeten de lijsten der thans algemeen geldende Landmerken — • die der wereldvrijmetselarij ■— en de lijsten der Landmerken van de verschillende richtingen in de vrijmetselarij zijn opgemaakt;

2. moet aan al die richtingen de volkomen gelijke gelegenheid gegeven worden voor hun arbeiden;

Sluiten