Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Oostersche Kunst en Westersche waardeering.

Levende monsters alléén waren de schrik toen der zeeën,

Geen monsters van staal en lydiet loerden er, diep, op hun prooi,

Toen van de Compagnie er de hooggespiegelde koopvaarders gleëen

Als ranke zwanen, rustig en fier, in den bol-blanken tooi

Van volle zeilen, voor gunstigen wind zóó heel breed gespreid,

Breed als de schoot der moeder, in 't vaderland achtergebleven,

Die — handen over 't gebedenboek — haar man en haar zoon verbeidt.

Jaren wachtten die moeders, in onwrikbaar Godsvertrouwen De mannen, die werelden ontdekten, om in vér land Schatten te gaaren, daar zij hadden op te bouwen Een Vrederijk, rotsvast, aan een wijkend strand!

En zij toonden, bij thuiskomst, hun moeders lachend de godenbeelden Van goud en van brons en van porcelein als bevrozen room, De vorstengewaden, zoo zwaar van borduursel, die ze gul verdeelden, En zijden kakemono's, die hun waren een onbegrepen droom,

De lakken, teêr als roze schelpjes, die kraakten in hun handen,

Vaatwerken, poeëmen van kleur, met toovertuinen en feeën,

Reukfleschjes van bergkristal, die door hun handen, de breeën,

Gingen als waard'looze knikkers; en de hemelsche kleurenbranden Op zijden weefsels, teêr als de zucht van een maagd in schroom ....

Waard'looze weelde voor wie gingen om goud en om specerijen! Onbegrepen Schoonheid, voor wie gingen om koffie en thee: — De tempelschatten werden verkwanseld als voddige snuisterijen,

Waar Oostersche priesters voor knielden, daar speelden Westersche kinderen meê!

Sluiten