Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSCOMMISSIE 24 Februari 1916.

IN ZAKE DE HEFFING EENER TIJDELIJKE BELASTING OP OORLOGSWINSTEN.

Aan

de Leden der Staatscommissie in sake de heffing eener tijdelijke belasting op oorlogswinsten.

Hierbij hebben wij de eer U te doen toekomen:

a. De door de subcommissie in hare laatste vergadering op 21 Februari 1.1. vastgestelde notulen der Algemeene Vergaderingen der Commissie op 18 December 1915 en 5 Februari 1916.

b. De eindredactie van het wetsontwerp, van de Memorie van Toelichting en het Verslag.

Ten aanzien van de werkzaamheden, sinds Zaterdag 5 Februari verricht, zij nog het volgende medegedeeld:

Den 7den Februari is de Secretaris aangevangen met de redactie der uitgebreide notulen van de vergadering op 5 Februari. Vervolgens zijn door hem in overleg met den Voorzitter en Mr. Laman de Vries de wijzigingen ontworpen in de artikelen 10, 14, 15, 23, 24, 29, 36, 64, 70, 75 en 91 en in de Memorie van Toelichting. De Voorzitter heeft zich, ingevolge hetgeen in de vergadering van 5 Februari was overeengekomen, belast met de wijziging en aanvulling van het Verslag.

Met den druk van de stukken werd onderwijl voortgegaan. Den 15den Februari werden de stukken aan de leden rondgezonden met verzoek hunne opmerkingen in te zenden en de subcommissie schriftelijk te machtigen om, rekening houdende met die opmerkingen, de eindredactie vast te stellen.

Die machtiging is door allen hetzij mondeling, ter vergadering, of schriftelijk verleend met uitzondering van den heer Nieestrasz. In het Verslag is daarvan mededeeling gedaan; de heer Nierstrasz heeft alsnog gelegenheid zijn instemming of afwijkende meening aan den Minister van Financiën te doen kennen.

In de vergadering van de subcommissie op 21 Februari is de laatste hand aan het rapport gelegd.

Naar aanleiding van de U medegedeelde nota van den heer Nierstrasz diene het volgende:

In breede weerlegging van de critiek, welke de heer Nierstrasz, in zijn schrijven aan den Secretaris gericht, voortgaat op de leiding der werkzaamheden uit te oefenen, treedt de eerstondergeteekende niet.

Alleen zij opgemerkt dat de wijze van werken, welke den heer Nierstrasz voor den geest schijnt te hebben gezweefd, een vertraging van ongeveer twee weken zou hebben medegebracht, terwijl bij de gevolgde wijze van werken al hetgeen in redelijkheid kan worden gewenscht, is gedaan om allen leden den passenden invloed op de eindredactie te geven. Tot dergelijke vertraging heeft de eerstondergeteekende niet willen medewerken. De tijd dringt, zal er nog iets van de zaak in dit zittingsjaar der Kamer terecht komen.

De vraag of de kracht der termen van welke de heer Nierstrasz zich bedient, evenredig is aan die zijner argumenten blijve hier verder onbeantwoord.

Dr. D. Bos, Voorzitter.

J. M. J. Schepper, Secretaris.

Sluiten