Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijksbelasting, aanleiding zou kunnen geven bij deze hooge belasting tot tal van ongewenschte toestanden, daar menigeen niet woont in de plaats waar de winsten eigenlijk zijn behaald.

Met het oog hierop meende de Commissie goed te doen in dit ontwerp de mogelijkheid van opcentenheffing niet op te nemen.

In de tweede plaats werd de vraag opgeworpen of de belasting, welke wordt opgebracht door hier gevestigde ondernemingen, die in de koloniën haar inkomsten verkrijgen, niet voor een deel aan die koloniën behoort te worden uitgekeerd. De Commissie meende dat het voldoende is de aandacht op deze vraag te hebben gevestigd. Ware in de koloniën een soortgelijke heffing tot stand gekomen, dan had uitteraard een behandeling van deze stof bij de samenstelling van dit ontwerp niet kunnen achterwege blijven.

De vraag of de vermeerdering der vermogens dan wel die der inkomsten als grondslag van deze bslastingheffing moet worden aangenomen, gaf aanleiding tot ontwikkeling van verschillende denkbeelden.

Vooreerst werd verdedigd het denkbeeld om in het algemeen de geheele verniogensvermeerdering gedurende den oorlog en nog eenigen tijd daarna tot grondslag van belastingheffing te maken, afgescheiden van den oorsprong dezer vermeerdering. De moeilijkheid om het verband met dèn oorlogstoestand aan te wijzen valt dan weg, terwijl de billijkheid om degenen, die in dezen tijd, door welke omstandigheden ook, in zulk een gunstigen toestand verkeeren, zwaarder te belasten, werd betoogd.

Ook naast heffing van een matige oorlogswinstbelasting naar den grondslag van de vermeerdering van de inkomsten werd een dergelijke heffing verdedigd. Aangezien echter dit denkbeeld geheel staat buiten de opdracht aan de Commissie verleend, is het in de vergaderingen der Commissie niet in verdere bespreking gebracht.

Eene minderheid bepleitte de vermeerdering van het vermogen zelfs dan als grondslag der belasting te nemen, indien de heffing werd beperkt tot de oorlogswinsten, welke een rechtstreeksch of middellijk gevolg van den oorlogstoestand zijn. Daar de wet terugwerkende kracht moet hebben om de winsten van af 1 Augustus 1914 te kunnen belasten, zou, naar deze minderheid meende, deze winst öf weder zijn verloren, öf zijn verteerd, dan wel bij rechtspersonen zijn uitgedeeld, öf een deel van het vermogen uitmaken. Alleen in het laatste geval zou naar men meende belasting practisch uitvoerbaar zijn, terwijl zij anders wellicht het vermogen zou verminderen of misschien geheel niet zou zijn te innen. Bovendien werd opgemerkt dat eigenlijk eerst aan het eind van het geheele oorlogstijdperk sprake kan zijn van oorlogswinst, daar op winsten in het eene jaar licht in dezen tijd verliezen in een ander jaar kunnen volgen, zoodat eerst na den oorlog in den groei van het vermogen de grond kan liggen van belastingheffing.

Hiertegen werd aangevoerd dat het binnen zekere perken mogelijk is, ook als men de inkomstenvermeerdering als grondslag aanneemt, de wet zóó in te richten, dat winsten in het eene' jaar met verliezen in het andere jaar voor de belasting worden gecompenseerd zooals ook in buitènlandsche wetten geschiedt. Voorts dat, wanneer men de vermogensvermeerdering als grondslag neemt, ook de koersdaling van de overgroote meerderheid van fondsen kan worden in rekening gebracht door vele personen, die oorlogswinst hebben gemaakt wat hun inkomen betreft. Die koersdaling treft het geheele geldbeleggend publiek, en er is dus geen reden voor degenen die door hun winsten in veel gunstiger omstandigheden verkeeren dan anderen, die koersdaling in mindering te brengen. Ten slotte scheen het niet vereenigbaar met den tegenwoordigen geldelijken toestand van een jaarlijksche heffing gedurende dezen tijd af te zien en te wachten tot de oorlog voorbij is; een groot d?el van de oorlogswinsten zou dan niet meer te achterhalen zijn.

Ook een voorstel om de beide systemen te vereenigen, en

Sluiten