Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 56.

Yoor iedere navordering wordt de machtiging van een door Ons aan te wijzen hoofdambtenaar vereisclit.

Alvorens deze machtiging te vragen, is de inspecteur verplicht den belastingplichtige, of na diens overlijden ieder der bekende erfgenamen, den executeur-testamentair of den bewindvoerder over zijne nalatenschap, mededeeling te doen van het bij artikel 54 bedoelde feit en van het bedrag, dat vermoedelijk ten onrechte niet in aanmerking is genomen, met uitnoodiging binnen een door den inspecteur te bepalen termijn van ten minste één maand de opheldering te geven, welke hij dienstig mocht achten.

Bij deze uitnoodiging voegt de inspecteur een afschrift der ingeleverde aangiften, betrekkelijk de jaren, waarover de navordering zich uitstrekt.

De tot de erfgenamen gerichte uitnoodiging kan worden gezonden aan de bij artikel 19 der Successiewet bedoelde woonplaats. Zij kan, zoolang niet sedert de aangifte voor het recht van successie twee maanden zijn verstreken, tot de gezamenlijke erfgenamen, zonder uitdrukking van namen en woonplaatsen, zijn gericht.

Bij liet aanvragen der machtiging wordt ten aanzien van de personen, bedoeld bij artikel 43, tweede lid, onder 1°., van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914, het advies overgelegd van den inspecteur der registratie.

Het bewijs der machtiging van den bij het eerste lid bedoelden hoofdambtenaar geldt als bewijs, dat de voorschriften van dit artikel zijn nageleefd.

Het tweede lid blijft buiten toepassing, indien dooi' den belastingschuldige, of na zijn overlijden door zijne erfgenamen, schriftelijk wordt verklaard, dat zij tot de daarbij bedoelde opheldering niet in staat zijn, of indien zij uit eigen beweging schriftelijk mededeeling hebben gedaan, dat de aanslag te laag is geschied of ten onrechte is achterwege gelaten of vernietigd en de inlichtingen worden verstrekt, noodig voor de regeling van een aanslag tot navordering.

Artikel 57.

De in een naderen aanslag te begrijpen belasting wordt met een gelijk bedrag verhoogd.

De verhooging wordt niet toegepast, indien en voor zoover de aanslag te laag is of achterwege is gebleven tengevolge van eene te lage schatting van den aangever en die schatting klaarblijkelijk te goeder trouw heeft plaats gehad.

Artikel 58.

Door een aanslag, opgelegd naar aanleiding van eene uit eigen beweging gedane mededeeling, als bedoeld bij het slot van artikel 56, vervalt niet het recht van navordering voor de belasting, welke daarna nog te weinig mocht zijn geheven.

Artikel 59.

Hij die bezwaar heeft tegen den hem opgelegden aanslag tot navordering van belasting kan, binnen twee maanden na de dagteekening van het aanslagbiljet, een met redenen omkleed beroepschrift indienen bij den raad van beroep voor de directe belastingen tot wiens rechtsgebied de gemeente van aanslag behoort.

Artikel 60.

Indien de aangeslagene is overleden, kan de erfgenaam, executeur-testamentair of bewindvoerder, die tegen den aanslag is opgekomen, door den raad worden uitgenoodigd, hetzij terstond, hetzij in eene nadere vergadering, de volgende verklaring af te leggen:

,,Ik verklaar, dat ik niet weet, noch vermoed, dat papieren behoorende tot den boedel van N.N., na zijn (haar) overlijden vernietigd of weggenomen zijn met liet doel de bewijzen van te lage aangifte voor de oorlogswinstbelasting te doen verdwijnen.

Sluiten