Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer te lijden gehad dan de andere. En tevens zou in het ontwerp het tarief veel te laag moeten worden gesteld.

De Heer de Wijkeeslooth de Weerdesteyn betoogt het wenschelijke van compensatie over de verschillende jaren, met name moeten z. i. onmiddellijk de reeds afgeloopen jaren 1914 en 1915 eventueel met elkaar in compensatie kunnen worden gebracht.

Bij speculatie wil Spreker de heffing zien plaats vinden niet alleen bij realisatie der fondsen, maar ook als men niet realiseert, behoudens compensatie.

Met de strenge straffen kan spreker zich vereenigen; bij niet-nakoming der verplichting tot aangifte wordt echter alleen verhooging der belasting opgelegd. Spreker meent, dat ook dan naast die verhooging een poenale straf moet kunnen worden opgelegd. De oorlogswinsten kunnen immers zoo groot zijn, dat men ook bij verhooging der belasting over de getaxeerde vermeerdering van het inkomen, nog belangrijke voordeelen door het niet doen van een aangifte kan behalen.

Ook staat er geen straf op het geheel weigeren van krachtens artikel 42 gevraagde inlichtingen.

Dat slechts met één jaar wordt vergeleken, schijnt Spreker onjuist toe. Stel bijv. dat een grondeigenaar opbrengsten geniet uit de opbrengst van fruitboomgaarden of van hakhout en dat 1913 een goed fruit-jaar is geweest of in dat jaar het hakhout werd gekapt, dan heeft men dat jaar een groot inkomen, zonder dat daarmede het normale inkomen bekend is.

Over het jaar 1914 moet de belasting zeker worden geheven. Met name in den graanhandel en rijsthandel zijn dat jaar zeer groote winsten gemaakt. Spreker zal dus niet ingaan op het denkbeeld om eventueele oorlogswinst van den landbouw over 1914, die inderdaad luttel is, vrij te stellen, daar men anders consequent ook de groote handelswinsten vrij zou moeten laten.

Wat het tarief betreft, zou Spreker de vrijgestelde oorlogswinst op een lager bedrag dan f 1000 gesteld willen zien en kan zich vereenigen met een heffing van 10 pet. van het laagste bedrag. De vrijstelling der eerste f 750 lijkt ook Spreker voldoende. Anders zal de oorlogswinst van veel te veel landbouwers geheel onbelast blijven.

De Heer de Monté verLoren stelt voor, met het oog op den moeilijken aanslag der kleine bedragen, de degressie en de vrijstelling onveranderd te laten. Het normale percentage kan worden verhoogd op 33 pet.

Spreker meent, dat men ook bij deze belasting wel degelijk te doen heeft met draagkracht, nl. met een tijdelijke buitengewone draagkracht (evenals bij de successierechten). Yoor de naamlooze vennootschappen gaat het natuurlijk niet op uit het bedrag der winst, niet beschouwd in verhouding tot de grootte van het maatschappelijk kapitaal, tot meerder of minder draagkracht te besluiten. Voor deze vennootschappen ware dus een vast percentage gewenscht.

De Heer Nierstrasz is van oordeel, dat de belasting wegens vermeerdering van het vermogen de eenige juiste is. Alleen de belegde oorlogswinst kan object van belasting zijn, niet de opgemaakte of verloren oorlogswinst.

Wat het tarief betreft, merkt spreker op, dat degressie die eigenlijk omgekeerde progressie is, voor naamlooze vennootschappen, niet houdbaar is. Het normale percentage van 25 acht Spreker voor ons land veel te hoog.

Van iy4—2 uur wordt gepauzeerd.

Na de pauze vraagt de Heer van Stolk het woord. Spreker meent, dat de vrijstelling van f 1000 in plaats van te ruim onvoldoende is te achten. Het komt er toch op aan, hoe de belasting het best is te innen. Daarvoor is een ruime vrijstelling noodig. Spreker stelt dan ook voor, de eerste f 3000 onbelast te laten.

Sluiten