Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De amendementen van de Heeren Schapee en Nieboek op artikel 91:

Art. 91, eerste lid onder a, wordt gelezen als volgt: „a. aan hem die reeds over de beide voorafgaande jaren

niet alleen voor bepaalde gevallen, maar ook voor eene algerneene opdracht bedoeld is.

De Voorzitter zegt overweging van een duidelijker redactie toe.

De artikelen 65 tot en met 69 worden goedgekeurd.

Bij artikel 70 vraagt de Heer van Njerop of er ook niet een regeling noodig is voor gevallen van onvermogen ten gevolge van een algemeene ramp als de watersnood.

De Voorzitter zou liever zien, dat die quaestie niet in deze wet werd opgelost. Zij zal bij meer belastingen aan de orde komen en een algemeene wettelijke regeling zal dus beter zijn.

De Heer Teenstra herinnert aan de regeling voor rampen in de wet op de grondbelasting gegeven.

De Heer Patijn is van oordeel, dat de bedoelde regeling niet tot algemeene rampen beperkt moet blijven. Stel iemand heeft zijn oorlogswinst gedeponeeid bij een bank en die bank failleert. Ook zulke bijzondere rampen moet de regeling bestrijken.

De Voorzitter doet toezegging dat een regeling zal worden getroffen.

Artikel 70 wordt daarop goedgekeurd. Evenzoo de artikelen 71 tot en met 73.

Naar aanleiding van artikel 74 spreekt de Heer van den Bergh zijne voldoening uit, dat met de bezwaren omtrent te spoedige inning geopperd, is rekening gehouden. Wordt de tweede alinea van het artikel goed toegepast, dan is alles in orde:

Den Heer Gerzon bevredigt het artikel nog niet. Waarom die verplichte rente? Men is gewend, dat de inning der belastingen niet spoedig geschiedt. En nu hier plotseling zulk een strengheid!

Artikel 74 wordt vervolgens aangenomen.

Met Artikel 75 komt de aansprakelijkheid der vereffenaars weder ter sprake.

De Heer van Nierop herhaalt zijn voorstel om de vereffenaars alleen aansprakelijk te stellen, indien zij geen lijst overleggen van hen wien de gelden zijn uitgekeerd.

Den Heer Cremer komt het voor, dat zulks niet altijd mogelijk zal zijn. Soms worden de uitbetalingen op aandeelen aan toonder gedaan aan de loketten van een bank, zonder dat men weet aan wie.

De Heer van Nierop bestrijdt dat. Ook dan houdt men een lijst van de namen der ontvangers.

De Heer Patijn acht tweeërlei regeling noodig, een voor het verleden en een voor de toekomst. Voor het verleden zijn de vereffenaars niet aansprakelijk te stellen.

De Voorzitter herhaalt zijn toezegging van een nadere regeling.

De artikelen 76 en 77 worden aangenomen.

Bij artikel 78 vestigt de Heer Cremer er de aandacht op, dat de boete in het gewijzigde ontwerp niet meer voorkomt.

De Heer Laman de Vries deelt de reden daarvan mede. Er was geen logisch verband tusschen de strafbedreiging (gevangenisstraf of boete) en delict, want het betreft hier alleen opzettelijk onjuiste opgave.

De Voorzitter merkt op, dat de quaestie of een meer of minder strenge strafbedreiging hier noodig is, nog wel in een verder stadium zal nageplozen worden (n.1. in de Tweede Kamer).

Artikel 78 wordt daarop goedgekeurd. Eveneens de artikelen 79 tot en met 90.

Artikel 91 en de amendementen door de Heeren Schaper en Nieboer ingediend.

De Heer Nieboer licht de amendementen toe. Compensatie is zeker billijk, maar moet eenigszins worden beperkt. Ver-

Sluiten