Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijfsel uit een tijd toen de Siameezen reeds machtig waren in het stroomgebied van de Menam. Het is een Linga, opgericht in 1317 A. D., zooals blijkt uit het opschrift, dat vervat is in een mengsel van Sanskrit en Khmer.

Aanmerkelijk ouder, namelijk van 944 £aka= 1022 A. D. en afkomstig van Lowo, is eene zuilinscriptie geheel in 't Khmer, de taal van Cambodja. Het is een edict uitgevaardigd door koning Süryavarman en voorschriften behelzende omtrent de verplichtingen en voorrechten van heremieten en van Buddhistische monniken, zoowel van de secte der Sthavira's als der Mahayanisten.

In de nabijheid van hetzelfde Lowo vindt men twee brokstukken van een steenen zuil, met Cambodja'sch opschrift in letters van de 10de eeuw. Het vermeldt de stichting van een heiligdom gewijd aan den god Vasudeva en draagt dus een Visnuïetisch karakter.

In geschiedkundig opzicht hoogst belangrijk is de groote inscriptie van niet minder dan 176 regels, in Khmertaai, van den jare 1283 Qaka= 1361 A. D. Die tekst, gegrift op een zuil, is gevonden in de bouwvallen van Sokothai (Sanskrit: Sukhodaya), de oude hoofdstad der Siameesche vorsten, maar werd in 1834 overgebracht naar Bangkok. De inhoud maakt ons bekend met het gewichtige feit dat de toenmalige koning der Siameezen gedurende 22 jaren tot 1283 Qaka in Sukhodaya resideerde, in welk jaar hij een gezantschap afvaardigde naar Ceilon, ten einde den beroemden priester Sami-Sangharaja, een zeer vroom man en grondig kenner van de Tripitaka (de Buddhistische heilige schrift), uit te noodigen aan zijn hof te komen. De Singhaleesche monnik gaf aan die roepstem gehoor en het gevolg was dat de koning zich tot het Buddhisme, en wel het Zuidelijke, bekeerde. Van toen af kan men aannemen dat het Singhaleesche Buddhisme bij de Siameezen wortel geschoten en verder ingang gevonden heeft bij de Cambodjanen. Eene merkwaardige bijzonderheid van dit staatsstuk — want als zoodanig mag men het beschouwen —, uitgaande van een regeerend Siameesch vorst, is het dat de taal niet Siameesch, maar Khmer is. Volgens Aymonier kan men als vaststaande aannemen dat gedurende eenige eeuwen de officieele taal der Siameesche heerschers het Cambodja'sch geweest is. Van daar dat de Siameesche taal onuitwischbare sporen bewaard heeft van een invloed dien het Cambodja'sch geoefend heeft, op gelijke wijze als het Engelsch getuigenis aflegt van de heerschappij van 't Normandisch Fransch.

Gaat men in N.O. richting van Ayuthia, dan komt men eindelijk in de provincie Korat, eertijds een grensgewest van 't rijk van Cambodja. De bevolking bestaat uit Cambodjanen, Siameezen, Laos en Chineezen. Het

Sluiten