Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doel door twee andere personen. Van soortgelijken inhoud is de derde inscriptie van 964 (=1042); de vrome schenker heet £rikantha, een Pandit. Van een vierde opschrift, geheel in 't Sanskrit, is nagenoeg niets meer leesbaar. De vijfde, tweetalige inscriptie, moet blijkens de voorkomende vorstennamen van iets lateren tijd dagteekenen dan de vorige. Het vermeldt de oprichting van een beeld der godin Bhagavatï naast dat van den god van Jayaksetra; verder komen eenige bepalingen voor omtrent opbrengsten uit de landerijen en giften van slaven.

Dicht bij Basset stond eertijds de Prasat, d. i. de toren, van Ta Kê Pong, doch thans is daar niets meer van over dan eenige steenhoopen. Gespaard zijn ook twee beschreven steenzuilen. Het eene, vrij lange opschrift in 't Sanskrit begint met de woorden Namo Buddhaya, Hulde aanBuddha, en geeft o.a. den naam te lezen van den koning Jayavarman VII, zoon van Dharanïndravarman en dagteekent van 1084 (=1162), behoort dus tot de laatste regeering waarmeê de epigraphie van 't oude Cambodja volgens stellige gegevens ons bekend maakt. Het tweede opschrift, in de landtaal, is te zeer gehavend om iets van den inhoud te kunnen opmaken. Blijkens de zooeven vermelde inscriptie was de Prasat van Ta Ke Pong bepaald Buddhistisch, doch in de nabijheid, in een boschje tusschen genoemde plaats en Bassêt, heeft men in 1883 ook een fraai Brahmabeeld met vier

aangezichten ontdekt.

Te Vat Ek, niet ver van de citadel van Battambang, verheft zich een bouwwerk, bedekt door struikgewas en groote boomen, op een heuvel, omgeven door een rechthoekige gracht. Het gebouw bestaat uit galerijen, binnenpleinen en het eigenlijke heiligdom. Op het beeldwerk zijn nog godheden en tafereelen uit de Indische mythologie te herkennen: Indra op zijn olifant, £iva en zijn gemalin rijdende op den stier Nandi, het karnen van den Oceaan, enz. Van de twee opschriften, gegrift op de deurpijlers van 't heiligdom, is het eerste nagenoeg geheel onleesbaar geworden; de

inhoud van 't andere is in hoofdzaak deze, dat Pandit Yogigvara in den jare 949 (=1027) een £iva-liiiga oprichtte, daarbij allerlei kostbare geschenken gaf en de opbrengst van met name genoemde landerijen voor vrome doeleinden bestemde; de grenzen van het stichtingsgebied zijn op bevel des konings Süryavarman vastgesteld. De stichting, waarvan hier sprake is, komt zonder twijfel overeen met hetgeen in de Oudjavaansche oorkonden een dharmmaslma en thans op Java pardikan-desa genoemd wordt.

Een dagreis ver westwaarts van de stad Battambang ligt een gehucht la Ngên, waar dichtbij een waterbekken, genaamd «Vijver van 't gewijde land», een steenzuil wordt aangetroffen, aan driekanten beschreven. De

Sluiten