Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder den naam van Prasat Roluh, d. i. de open toren, zijn bij 't dorp van dien naam de bouwvallen bekend van een ouden tempel. Aan de poorten zijn nog eenige beeldhouwwerken zichtbaar, o. a. boven de poort een vierarmige godheid, dansende, en lager een andere god rijdende op Garuda, dus Visnu. De inhoud van de inscriptie in de landtaal luidt, volgens de vertaling, als volgt.

«In 971 £aka, den 8sten van de donkere helft der maand Phalguna(Febr. —Maart 1050 A. D.) beklom Z. Maj. Udayadityavarman den troon. In 972 £., den 5den van de lichte helft der maand Vaigakha (April—Mei 1050), Zondag, verleende Z. Maj. Udayadityavarman goedgunstiglijk de gronden van t land Stuk Rmang, alsmede de slaven en inkomsten aan den Heer Pandit Jayendra, ze afstaande voor 't vervolg als (deel uitmakende van) de gronden en inkomsten van 't land Stuk Ransi. Nu waren de vier personen, twee mannen en twee vrouwen, welke die gronden bezeten en de inkomsten van het land Stuk Rmang genoten hadden, kinderloos en zonder kleinkinderen overleden, zoodat hun geslacht was uitgestorven. Uit dien hoofde heeft Z. Maj. een beschikking genomen ten gunste van Pandit Jayendra en bepaald dat die gronden, slaven en inkomsten van Stuk Rmang voortaan een integreerend deel zullen uitmaken van 't heiligdom van Stuk Ransi en voor altoos behooren aan de familie van Pandit Jayendra, in de vrouwelijke lijn.» Verder worden de grenzen aan de acht windstreken aangewezen en eindigt de oorkonde met de opsomming der namen, titels en functies van drie Pandits die door den Vorst belast worden met de uitvoering van het koninklijk edict.

In de streek Soay Chêk zijn verscheiden overblijfselen der oudheid, waaronder het aanzienlijkste is de ruïne van Banteai Preau, zijnde een heiligdom gebouwd in 't midden van een grooten vierkanten vijver. De vijf op de poorten gegrifte opschriften, alle in de landtaal, loopen van 924 tot 933 en leveren het bewijs dat het heiligdom gewijd was aan £iva en diens gemalin Uma. De vermelding van de gewone vrome schenkingen ontbreekt niet.

Met voorbijgang van eenige onaanzienlijke bouwvallen, vermelden wij de ruïne van den toren Prasat Sdao wegens beeldhouwwerken boven de poort, welke voorstellen Indra gezeten op zijn olifant en omringd door heremieten in aanbidding.

Bij twee geheel vervallen torens, genaamd Prasat Ta Siu, heeft men twee beschreven steenzuilen ontdekt. De eene inscriptie, in 't Sanskrit, van 't jaar 811, maakt gewag van 't prachtige klooster van Yagodharaen van een schenking door koning Yagovarman aan de goddelijke Nidra, d.i. de Slaap. Als goddelijk wezen wordt Nidra in Voor-Indië niet aangetroffen; de heer

Sluiten